donderdag, december 31, 2009

2010 dus

In 2010 ga ik tevreden worden, dat heb ik mezelf beloofd. Ik heb even overwogen om meteen voluit voor het Grote Geluk te gaan, maar dat is misschien wat overdreven. Je moet niet teveel verlangen van het leven. Tevreden zijn is haalbaar. Tevreden kan je zijn ondanks alles. Met het Grote Geluk ligt dat wat moeilijker. Dat laat zich niet najagen, herinner ik me van vorige nieuwjaren. De jacht op het Grote Geluk eindigt met Grote Ontgoochelingen.

Tevreden dus. Van verse lakens en van koffie met een wolkje melk bij het ontbijt en van de vogels in de tuin en van de cellosuites van Bach en van de poes die zich uitrekt en van mijn verwondering dat ik nog weet wat een asymptoot is en van de buurman die naar zijn duiven fluit en dat ik het uitgelegd krijg aan mijn dochter, dat van die asymptoot, en dat ze vervolgens een acht zal halen op school, wat mij zelden is gelukt.

Ik zal naar buiten kijken door het raampje van de trein en dan zal ik de file zien staan onder de spoorwegbrug en dan zal ik tevreden zijn: goed dat ik daar niet tussen hoef te staan. En als ik met de auto naar het werk rij, zal ik zelf in die file staan onder dezelfde spoorwegbrug, en dan zal ik ook weer tevreden zijn want het regent en dan stinken de mensen in de trein naar natte hond, en goed dat ik daar niet tussen hoef te zitten.

En dan zal het zondag worden en we vervelen ons en we spelen scrabble en ze heeft een vijftigpuntenwoord en ik heb ook een vijftigpuntenwoord en we zullen lachen dat dat godsonmogelijk toevallig is en dan zal ik tevreden zijn en dan zal zij tevreden zijn en de oorlog is ver weg en we nemen tevreden een koekje bij de thee.

Zullen we naar buiten gaan zegt ze en we slenteren naar het museum en we zijn tevreden want we moeten niet betalen en we kijken naar de madonna en het kind en naar de rode engeltjes en naar de blauwe engeltjes en naar de merkwaardigste borst uit de kunstgeschiedenis en ze zegt dat we nog eens moeten gaan kijken naar Vermeer in Amsterdam en naar Van Gogh en ik zal zeggen ja, dat moeten we nog eens doen.

En ik zal tevreden zijn dat ze haar rode jurkje heeft aangetrokken en ik zal tevreden zijn als ze haar rode jurkje heeft uitgetrokken en als alles opnieuw wordt wat het vroeger was, toen er niets dan later was en toen we ongeduldig dachten dat we alles beter gingen doen en toen deden we alles precies hetzelfde en later zullen we oud zijn maar nog lang niet dood en dan zitten we samen op een bankje en voeren de eendjes in het park.

En straks is het de laatste dag van de laatste maand en straks wordt er afgeteld van negen en acht en zeven en op televisie doen ze net als vorig jaar alsof alles goed zal zijn en vier en drie en twee en één en dan begint de klok aan twaalf trage slagen en ontaardt de nacht in vrolijkheid.

Die klok is nog van mijn opa en mijn oma geweest. Ook zij telden zeventig jaar geleden de slagen en ze kusten en ze zegden gelukkig nieuwjaar. Het werd toen 1940.

(Verschenen in Libelle, 31/12/09)

Labels:

donderdag, juni 18, 2009

Mars


Mijn laatste column voor Weekend Knack voor de zomervakantie. Bijna alles wat hieronder staat is waar.

"De Schotten zijn gek", zei ik terwijl ik een wolkje in de koffie maakte. Het ochtendlijke gekibbel hield meteen op. Wat mijn bedoeling was. Afleiding is een efficiëntere opvoedingstechniek dan stemverheffing of karwats.
"Omdat Schotten een rokje dragen?", vroeg kind één.
"Omwille van die doedelzakken?", vroeg kind twee die de volgende dag jarig zou zijn.
"Boomslingeren? Loch Ness?", vroeg kind drie.
Drie paar ogen keken me aan. Plus de ogen van hun moeder, mijn vrouw, waarin ik kon lezen dat het niet in ons opvoedingsproject past om een volledig volk zonder reden gek te verklaren. Er werd van mij een verklaring verwacht.

"Gefrituurde Mars", zei ik.
Dat volstond niet.
"Eén van de lievelingsgerechten van de Schotten is gefrituurde Mars." Als je bij de radio werkt, worden je de gekste dingen medegedeeld, Linda. Je mag die vervolgens op kosten van de samenleving checken en dubbelchecken. Het bleek waar te zijn. Gefrituurde Mars is te koop in de betere fish and chipszaak in Glasgow en Edinburgh. Maar thuis kan het ook: koel een Mars een halve dag in de ijskast. Haal hem door een dun beslag en laat hem in een paar minuten goudbruin bakken in hete frituurolie. Opdienen met tomatenketchup en een bolletje vanille-ijs. Gefrituurde Mars wordt ook als hoofdschotel geserveerd. Met frietjes. De Schotten zijn gek.
"Morgen ben ik jarig, en dan mag ik kiezen wat we eten", zei mijn dochter. De ogen van haar moeder, mijn vrouw, schoten vuur.

De volgende dag stond ik dus Mars te frituren.

Ook de moeder van de jarige, mijn vrouw, bestelde er eentje. Met ketchup. Haar nieuwsgierigheid won het van haar afkeer. Ze vond het niet onlekker. Niemand vond het onlekker, ook ik niet. De eerste hap is zelfs verrukkelijk. Eerst bijt je door het zoute, gloeiendhete korstje dat licht krokant weerstand biedt. En daarna vult je mond zich met de machtig volle smaak van gesmolten chocolade en lauwe karamel. Smeuiig is het woord, je tong plakt aan je verhemelte. De ketchup zorgt voor een lichtzure toets. En voor de vitamientjes, zei de jarige. Maar vanaf hap twee wordt het zwoegen.

Niemand bestelde een tweede bordje. En daarna waren we allemaal samen een beetje mottig. Zonde van de mars, zonde van het beslag, zonde van het frietvet, zonde van de tijd, zonde van de chaos in de keuken. En zonde van de vierhonderdtwintig kilocalorieën. De Schotten zijn gek.

Labels:

woensdag, juni 03, 2009

Togo


Goed dat de Weekend Knack bestaat. En goed dat ik daar tweewekelijks de achterkant van een halve pagina reclame mag grijs kleuren met lettertjes. Op die wijze gebeurt er ook nog eens iets op mijn weblog. Daar gaan we.

Nonkel Christophe is dood. Dat wordt mij gemeld uit het verre Togo. Christophe Fillet, schielijk overleden ten gevolge van een hartaanval. Het is een mailtje in het Frans en dan klinkt doodgaan mooi: "Malheureusement décédé le 21 juillet, suite à une crise cardiaque". Het bericht komt van een zekere Michel Davidas, advocat.

Ik zou moeten rouwen, maar dat lukt me niet. Ik wist niet dat ik een oom had in West-Afrika. Er overvalt me zelfs een zekere vrolijkheid. Want lees mee.
"Mr. Christophe Fillet laisse derrière lui une importante sommes de 12,7 Million de dollars américains auprès de L' Union Togolaise de Banque". Heb je ook opgemerkt dat de advocaat dat heerlijke woord Million met een hoofdletter schrijft ? Dertien Miljoen, Linda.

Davidas weet meer van mijn familie dan ikzelf. nonkel Christophe was weduwnaar en woonde in Tagbligbo, een stad in Zuid-Togo. Hij was chef-ingénieur bij West African Cement, dat verklaart zijn fortuin. Zijn overlijden dateert al van 21 juli 2005. Vier jaar lang heeft Michel Davidas gezocht naar een erfgenaam. Een zoektocht die niets heeft opgeleverd. En wat zegt het Togolese erfenisrecht in zo'n geval? Je gelooft het niet, Linda, maar
"en cas de non existence de la famille légitime d'un dernier, un membre répondant au même nom que le défunt devient son bénéficiaire".

De familienaam Fillet is der! tien! mil! joen! waard. De heer Michel Davidas - vanaf nu noem ik hem mijn vriend - wil de zaak graag voor me afhandelen, à rato van 50/50. Doe maar, mijn vriend. Dan hou ik nog ruim zes miljoen over. Ik ben niet schraperig.

Vandaag nog pak ik mijn koffers. Ik koop mezelf een tropenhelm en een muskietennet. Spoorslags naar Tagbligbo, vast een mooie stad. De Togolezen schijnen vriendelijke mensen te zijn. Hier vinden ze wel iemand anders om dat radioprogrammatje van me te presenteren en de Knack Weekend raakt ook zonder mij gevuld.
Cordialement, mr. Davidas, attendez-moi, j'arrive! Tabé, Linda !

(Linda is Linda Asselbergs. Haar antwoord staat in de Weekend Knack.

Labels:

woensdag, mei 20, 2009

Echte vent


Linda heeft naar M!LF gekeken en schreef een stukje over echte venten. Ik heb niet naar M!LF gekeken, ik zag een echte vent in de Colruyt van Temse. Ik dank hem voor de inspiratie.

Blond en brede schouders, leren vest op de juiste plekken afgesleten, een man die beseft dat hij een vént is en die weet dat er naar hem wordt gekeken. Er zit een scheur in zijn jeans. Ik zie een stukje getatoeëerde kuit. Tribal. Maar hij loopt wel gewoon achter een winkelkarretje door de Colruyt. Net als ik. Op de parking heb ik een Landrover Defender zien staan, met achterin een rottweiler. De zijne, denk ik.

We kruisen elkaar ter hoogte van de kristalsuiker. Hij heeft Jupiler in zijn kar, Cola Zero, hondenbrokken, diepvriespizza en seizoen zes van de Sopranos. En hij heeft een ringetje door zijn wenkbrauw. Dat doet me twijfelen : misschien toch niet die Defender, maar die getunede Opel Astra. Ik verlies hem uit het oog als ik de groenteafdeling inrijd. Hij slaat die over. Echte venten eten geen sla. Ik wel. En worteltjes, tomaten en witlof. Zo staat het op mijn boodschappenlijstje. Ik moet ook nog een verjaardagscadeautje vinden voor een dertienjarig jongetje en ik moet even terug naar het rayon zeep en aanverwanten zie ik, want ik ben tandpasta vergeten.

Daar zie ik hem weer. Gsm aan het oor. De gang is leeg, alleen hij en ik. "Is het een blauw doosje?" hoor ik hem vragen. Hij merkt mij nu ook op. Betrapt bij het uitkiezen van maandverband. Hij draait en keert het doosje in zijn ventenhanden. Het liefst was hij heel alleen in de Colruyt geweest. "Luchtdoorlatend, staat er op", fluistert hij. Ik hoor hem sterven. Hij draait zijn rug naar me toe. Ik moet mijn best doen om het gesprek te volgen. "Dat weet ik niet, schatteke. Is dat niet allemaal hetzelfde?" Ik zoek mijn tandpasta en neem daar mijn tijd voor. "Nee, zoeteke, echt niet. De Always is op, denk ik." Ik vraag me af hoelang mijn zoektocht naar tandpasta geloofwaardig blijft. "Carefree is er wel."

Het wordt Carefree. Hij zet het blauwe doosje terug en kiest het economy pack, telegeleid door zijn vriendin thuis. Hij neemt ook nog een busje Veet uit het rek.

Terwijl de juffrouw aan de kassa het maandverband en de Veet aanrekent, verdiept hij zich in de tekst op de rug van de Sopranos. En op de parking loopt hij recht op de Opel Astra af.

Labels:

zondag, mei 10, 2009

Bob


Een column van efkens geleden. Lichtjes verouderd. Maar ik zet hem hier toch, al was het maar voor de volledigheid. Linda van Weekend Knack had moeite met antwoorden omdat Dylan haar volkomen onbewogen laat. Het blijkt dus waar te zijn dat niemand volmaakt is.

Ik heb 'Bob Dylan' geselecteerd en laat mijn iPod verder zijn zin doen. 'It's all over now, baby blue' weerklinkt. Volkomen willekeurig geshuffeld uit vijfhonderdéénenvijftig dylannummers waartussen de machine had kunnen kiezen. Vijfhonderdéénenvijftig, Linda. Ik ben zot, ik weet het. Dylanzot.

En bij elk lied van Dylan hoort een verhaal.

25 juli 1965. Hij was net van het podium gejouwd omdat hij
elektrisch had durven spelen op een folkfestival. "Hij gaat zijn akoestische gitaar halen", suste de organisator het joelende publiek. Er was ook nog een man met een bijl die dreigde de stroomkabels door te hakken. Dylan kwam met tranen in de ogen opnieuw het podium op en speelde 'It's all over now'. Akoestisch. Achteraf bleek dat de volkswoede meer te maken had met het abominabel slechte geluid dan met die elektrische gitaar. Maar het was gebeurd: de vanzelfsprekende liefde tussen Dylan en zijn publiek was all over, baby blue.

Vorige dinsdag was hij in Brussel. Ik ga altijd. Maar deze keer niet, want ik ben boos op Dylan. Dat is onnozel, boos zijn op Dylan. Het is zoals boos zijn op God of op de koning. Dylan, God en de koning trekken zich daar niks aan. Het glijdt van hen af, als water van een eend. Ik weet dat.

Mijn boosheid betreft zijn orgel. De laatste keren dat ik hem zag, verschool Dylan zich bezijden het podium achter een orgel. Dat is fout. Dylan moet gitaar spelen. En mondharmonica. Vooraan, dicht bij zijn publiek. En dat Bob nu eindelijk die verdomde hoed eens afzet. Breedgerand onding dat met zijn duistere slagschaduw Dylans gezicht onzichtbaar maakt. Wij hebben recht op dat gezicht. En ik wil dat hij ons toespreekt tussendoor. Dat doet hij niet, Linda. Nooit. Of bijna nooit. De zeldzame keren dat hij iets zegt, wordt dat als groot nieuws gemeld op gespecialiseerde websites.
"Dylan talks!" Zo leert ons het internet dat Dylan dertien jaar geleden in Vorst de volgende woorden heeft gesproken: "Wanna say hello to my good friend, the Chopper, who’s down here. Let me say that the Chopper has seen me more times than myself!" Die Chopper is een vurige fan die Dylan achterna reist en alle concerten probeert bij te wonen. Wat een woordenvloed! Dank u Chopper.

Excuseer me even, Linda. Mijn iPod speelt
'To Ramona'. Dat is mijn lievelingslied. Ik euh... wacht, ik moet drie minuten luisteren.

(...and someday maybe, who knows baby, I'll come and be crying to you.)

Zo. Klaar. Waar waren we gebleven?

Labels:

dinsdag, april 21, 2009

Hond


Eerst in de Weekend Knack lezen wat Linda schrijft over dat verlorengelopen hondje in het Antwerpse stadspark. En daarna dit stukje dat ik erop laat volgen.

Ik zoude door mijn knieën moeten zinken en bittere tranen plengen van ellende. Ik zoude mezelve moeten geselen met neteltakken, of beter nog met bramen, die rode strepen trekken over mijn ontblote rug. Met luide stem zou ik de mensheid moeten toeroepen: ik ben slecht en ik ben zondig. Ik, hondenhater, beschimpt mij en verban mij uit uw midden.

Of wacht, ik zal het zelve doen. Ik zal mezelf in de ban slaan, want ik ben niet waardig in uw midden te verkeren: ik schenk mijne bezittingen weg en vertrek naar het noorden, alwaar ik me terug zal trekken in een schimmelige grot op een verlaten strook strand van de Atlantische oceaan. Waar het geruis der branding mijn gejammer zal overstemmen, zodat gij niet hoeft te horen, Linda, dat ik u om vergeving smeek. U, en allen die den hond beminnen.

De Hond, sommigen zouden Hem met een hoofdletter eren. Ik niet. Ik haat Hem, al ken ik Zijn vele verdiensten. Trouwste Vriend van de mens, hoor ik beweren. Redder der verdwaalde reizigers, Kompas der blinden en Helper der jagers, Betrouwbare Bewaker van have en goed, Speurder naar smokkelaars en gespuis, Onvermoeibare Trekker der sleden en bakkerskarren, Speelkameraad, Aanbrenger van kranten en pantoffels, Trooster der eenzamen, en - ten oosten van Omsk - Gewaardeerde Bron van eiwitten en koolhydraten.

Het zal wel zijn. Maar wat misprijs ik Hem, die Jankende Viervoeter. Hoelang moet ik die hoofdletter hier aanhouden? Schurftig, vuil en onrein beest. Verwaterde wolf, lafhartige slaaf der mensheid. Slappe opportunist, gatlikker, enige vriend van Hitler. Bijt vanvoren, schijt vanachteren. Drollenmachien. Bespringer van mijn scheenbeen. Mislukte kosmonaut. En stom bovendien: ziet hem kwijlen als het belletje klinkt, in de overtuiging dat er voedsel komt.

Ken je Diamond, Linda? Diamond, de hond van Isaac Newton? Op een dag in een vroeg achtiende-eeuwse winter liet Newton Diamond een ogenblik alleen in zijn werkkamer. Het beest stootte een kaars om en de notities van twintig jaar studeren en experimenteren gingen in vlammen op. “Oh, Diamond, Diamond, thou little knowest the mischief thou hast done!”, zei Newton terwijl hij de ravage overzag. En vervolgens sloeg hij het beest dood, mag ik hopen.

Na dertig jaar zijn de sporen nog zichtbaar, Linda. Hij was zwart en groot en van een onbestemd ras. Een litteken op mijn kuit en een litteken op mijn ziel. Ik haat hem.

Vergeef me.

Labels:

woensdag, april 08, 2009

Tomatensoep


Een stukje uit de Weekend Knack. Links en rechts verschilt er een woord en een leesteken. Ik kan geen stuk herlezen zonder iets te veranderen. Wie wil weten wat Linda Asselbergs eraan vastborduurt, moet de papieren versie raadplegen.

Het gebeurde achter mij. Ik zag haar niet, maar ik hoorde haar wel. Ingestapt in Vilvoorde en twee banken achter mij gaan zitten. Licht Antwerps accent, iets meer lettergrepen per seconde dan gemiddeld. Mooie, heldere stem. Maar luid, Linda, luid... Naar ik vermoed maandelijks een hoge gsm-rekening en absoluut geen gêne.

Dat ze hem niet vertrouwt, hoor ik haar zeggen. Een volledige wagon spitst de oren. We vernemen dat de onbetrouwbare Hugo heet. Iemand van haar werk, begrijp ik uit het telefoongesprek. Een tussenbaasje met ambities. Hugo gaat lelijke dingen vertellen hogerop, ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Weet je nog dat Kristel vorig jaar drie weken thuis heeft gezeten? Dat was allemaal de schuld van Hugo, zegt ze.

Ik veins dat ik verdiept ben in mijn boek. Tegenover mij zit een meneer die doet alsof hij de sudoku oplost in de Gazet van Antwerpen. Ik hoop dat hij niet Hugo heet. Hij heeft er de leeftijd voor.

Ze wil vanavond de stad in, zegt ze. Het hoofdstuk Hugo is blijkbaar afgehandeld. Filmpje of zo. Slumdog Millionaire. Of Loft, ze raakt er niet uit. Haar gesprekspartner ook niet. Die zegt weinig. Ik bedoel: ik hoor geen stilten waarin die gesprekspartner iets zou kwijt kunnen. Recept voor tomatensoep. Naadloze overgang van de cinema naar de keuken, het is me ontgaan hoe ze dat voor elkaar heeft gekregen. Ze doet er mais bij en cayennepeper. Dat heeft ze van haar tante geleerd. Nee, die andere tante, zegt ze. Tante Leen is dood.

De sudoku schiet niet op.

Ik zou willen omkijken, ik wil weten hoe het tomatensoepmeisje eruitziet. Ik heb al eens geprobeerd of de spiegelende treinraampjes me kunnen helpen, maar helaas. Een gekruist been, een knie en een stuk roestrode jas, meer zie ik niet. Ik zou moeten opstaan en over de rugleuning loeren. De sudokumeneer is vast even nieuwsgierig als ik. Maar ik hou mij in.

Mechelen. Ze stapt af. Ik ook. Ze ziet er exotisch uit. Zwart haar, grote oorringen. Spanje, gok ik. We lopen bijna schouder aan schouder perron zes af, richting trappen. Even kruisen onze blikken. "Slumdog Millionaire", zeg ik. Ze kijkt verbaasd. "Ga naar Slumdog Millionaire", zeg ik nog eens. "Mooie film."

Ze glimlacht en loopt door. Ze had een zweem van snor, maar dat is niet erg. Dat is niet erg.

Labels:

woensdag, maart 25, 2009

Fetish


Linda Asselbergs ging naar de film over de SM-rechter en dat inspireerde haar tot een stukje. Waarin ze een oudleerling tegen het lijf loopt. Claire. Toen Moderne Talen Kunst, nu twintig kilo dikker en gothic. Runt een bondagecafé in Antwerpen, de Fetish. Ah, de Fetish! Dat ken ik. En ik was vertrokken voor mijn antwoordstukje. In de Weekend Knack zijn de witregels er tussenuit. Dat vind ik jammer.

Het regende toen ik de laatste keer van het Fetish Café naar de auto liep, Linda. De Kleine Pieter Potstraat uit, richting Steen. Hard, het regende hard en koud, naalden op mijn vel. Net geen hagelbollen. Zo hoort het als je van de Fetish komt, het regent altijd op dat soort donderdagavonden. Ik haastte me dus. Maar dat hielp niet, het water won het van mijn regenjas. Zeiknat plofte ik achter het stuur en draaide de autoradio aan.

Ze speelden Charlie Rich.
I tried and I failed and I'm tired and I'm weary. Hij kijkt recht in mijn hart, die dode Amerikaanse cowboyzanger. Everything I done is wrong. Lord, I feel like goin' home. Als ik geen vént was, zouden er tranen in mijn ogen springen. Ik wilde naar huis, indeed, maar dat lied ging over mij, ik wachtte nog even en luisterde. Charlie Rich en zijn piano. "Niemand zingt beter dan ik, als ik lichtjes bezopen ben", heeft hij ooit gezegd. En vervolgens dronk hij zich een leverinfectie. Het is waar: Charlie Rich was beter dan Elvis. Maar hij was getrouwd, hij had vier kinderen, hij was grijs voor zijn dertigste en hij had vlezige wangen. Dan maak je weinig kans tegen de King. Rich stopte met zingen en investeerde in een hamburgerketen.

Ik bekeek mezelf in de achteruitkijkspiegel en staarde vervolgens naar de kasseien van de Scheldekaai. Ze lagen te blinken van het nat. Vlezige wangen, getrouwd, kinderen... Ik keek over de rivier naar de overkant. Daar zou ik moeten zijn. Ik ademde wolkjes uit, de raampjes wasemden aan. Ik prutste een gestolde druppel kaarsvet van mijn duimnagel. De ruitenwissers haalden het niet, regentranen trokken de wereld in streepjes. Ach, laat ik de motor maar starten.

De stad uit, een klein stukje E17 maar in mijn hoofd was het Route 66. De Kennedytunnel door, Linkeroever voorbij, uitrit 16. Langs het benzinestation. Ik fantaseerde er een motel bij. Kapotte neonletters: Silver Queen. Of zoiets. Nee, er huilden geen honden naar de volle maan. Ook dat moet mijn verbeelding geweest zijn.

In het Fetish Café ben ik nooit geweest, Linda, zulke dingen doe ik niet. En ze draaien nooit Charlie Rich op de Radio, zulke dingen doen ze niet. Maar het regende wel. Hard, als naalden op mijn vel. En ik wilde echt naar huis.

Labels:

zaterdag, februari 28, 2009

Midlife


In de Weekend Knack van drie dagen geleden staat een stuk dat ik hier al lang had kunnen posten. Linda Asselbergs gaf de voorzet en vroeg me of het al wat opschiet met mijn midlifecrisis. Aanleiding was een bezoek aan haar tandarts en het soort lectuur dat daar in de wachtzaal lag. Ze had het over innerlijke leegte en een gevoel van existentiële nutteloosheid. Wat midlifecrisis? Welke midlifecrisis? Enfin, lees maar.

Het gaat goed met me, Linda, ik waardeer je bezorgdheid. Innerlijke leegte, ach ja, af en toe. En me nutteloos voelen ook een beetje, maar ik hou me sterk. Want wat betreft de midlifecrisis heb ik lang geleden met mezelf een afspraak gemaakt. Ik ga daar niet aan meedoen.

Om het mezelf niet moeilijker te maken dan strikt noodzakelijk, mijd ik het soort maandbladen dat jij bij je tandarts hebt gelezen. De katernen van de weekendkrant die zich richten op de emotionele aspecten van het bestaan sla ik over en ook bepaalde pagina's van Weekend Knack laat ik ongelezen. Want ze proberen het me aan te praten, Linda, en voor je het weet gaat een mens het geloven: voorbij de vijfenveertig heeft een man récht op zijn midlifecrisis. Blijkbaar. Ik wil het niet weten. Ik doe niet mee.

Het is lief dat je me voor de symptomen waarschuwt, Linda. Bijvoorbeeld de behoefte om alles eens op een rijtje te zetten. Wel, laat ons dat toch maar eens doen. Dan zie ik enkel nadelen aan een midlifecrisis. En vooral: praktische bezwaren. Al die leeftijdsgenoten die een minnares nemen. Ja, dat zal wel plezant zijn. In het begin. Maar op de duur moeten ze toch ook zelf inzien dat het nieuwe meisje lijkt op de echtgenote die ze hebben achtergelaten? Maar dan jonger en dus onnozeler? En met een nog onvervulde kinderwens? Ik zie ze na hun vijftigste opnieuw luiers verschonen en ik betrap mezelf op leedvermaak. En ik denk dan: niet met mij.

Of onschuldiger: mannen, iets ouder dan ikzelf, die gaan shoppen in de Kammenstraat en zich kleden als mijn oudste zoon. Ze beseffen niet hoe potsierlijk ze zijn. Met hun sneakers en hun t-shirt van Bikkenbergs. Bovendien, Linda, is een midlifcrisis levensbedreigend. Af en toe moet ik ziekenhuisdruiven kopen voor een bevriende vijftiger die zich recent een motor heeft aangeschaft en die vervolgens ergens halfweg de Ardennen een bocht heeft gemist. In mijn kennissenkring voorlopig geen dodelijke slachtoffers, maar ik hou mijn hart vast.

Ik doe dus niet mee.

Gisteren reed ik over de E19. Ik moest bezuiden Brussel zijn. Ter hoogte van Nijvel passeerde ik een pijl naar Parijs. Heel even bekroop me de gedachte door te rijden en alles achter me te laten. Heel even. En toen was het over. Ze was kort, mijn midlifecrisis.

Labels:

zaterdag, februari 14, 2009

Kokos


Veertiendaags in de Weekendknack de correspondentie tussen Linda Asselbergs en mijzelf. Deze keer over een onderwerp waarna er gedouchet moet worden.

Na twintig meter deed het al pijn. Zo ergens ter hoogte van mijn hart, dat is een onrustwekkende plek, Linda. Je loopt te snel, zei ik tegen mezelf. Waarschijnlijk was ik te hard mijn best aan het doen. Ik weet waarom: de buren kijken van achter hun gordijnen. Dat hoort bij de regels van het platteland. 'Kijk, hij loopt weer. Dat is lang geleden.' Dan wil een mens zich niet belachelijk maken. Ik hield dus een flink tempo aan.

Maandenlang hebben mijn loopschoenen ongebruikt in de kast gestaan. Niet omdat ik geen zin meer had, Linda, ik wou doodgraag blijven lopen. Maar mijn achillespezen speelden op. Aanvankelijk was dat een geldige reden om niet meer te sporten, ik kan dat met een dokterbriefje staven. Maar na een tijd evolueerde mijn achillesprobleem tot een bruikbaar excuus. En op de duur had ik geen excuus meer nodig. De goesting was weg. Ik was hervallen in mijn vadsige, sedentaire bestaan. Ik was loper af. Opnieuw lui. En dik. En buiten adem van veters te strikken.

Tot gisteren. Ik raapte mezelf bij elkaar en ik ben herbegonnen. En dat deed dus pijn. Ik liet het tempo wat zakken. Mijn hart ging minder hard bonzen en de pijn verdween. Het ritme van mijn adem en het ritme van mijn passen vonden elkaar. En vanaf dan ging het vanzelf. Bijna vanzelf. Voor ik vertrok had het jongste kind me goeie raad gegeven: 'Als je moe wordt moet je proberen te glimlachen, papa. Dat helpt. Lopen doe je met je hoofd.' Hij heeft gelijk. Beweren dat ik zweefde zou overdreven zijn. Maar ik beweer het toch: ik zweefde, Linda. Ik was twintig minuten lang gelukkig. Ik kon het nog.

Op het eind van de straat staat een kapelletje. Daar eindigt de beschaving. Drie keer per week zal ik daar de polder inlopen, neem ik me voor. Wilgen, kasseien, wind, de geur van de Schelde. En één loper. Ik. Op een paar ganzen na helemaal alleen, geen buren achter gordijnen. Enkel nog mezelf om tegen te lopen, een vriendschappelijke wedstrijd. De modder deert me niet en ik doe geen moeite om de plassen te ontwijken want het wit moet van mijn loopschoenen. Nieuwe, witte loopschoenen zijn belachelijk, Linda, kunnen we het daarover eens zijn? Propere sportschoenen zijn voor loopbandlopers.

Ik kwam thuis. Moe en nat. Ik vond dat ik een beloning had verdiend. Een stuk chocolade. Kokosvulling.

Labels:

zaterdag, januari 31, 2009

Hobby


Linda Asselbergs schreef in de Weekendknack een stukje over mannen en hun rare hobbies. Over "mannen die op de scheerzolder het Zwitserse spoorwegnet nabouwen, na hun uren de Slag van Waterloo overdoen of zoals le facteur Cheval drieendertig jaar lang in hun dooie eentje aan een Palais Idéal knutselen". Linda beweert dat vrouwen niet met dat soort onnozeliteiten bezig zijn. Ik zocht een tegenvoorbeeld.

Ik ken een mevrouw die eenpersoonskoffiemelkverpakkingetjes verzamelt, Linda. Weet je wat ik bedoel ? Er is geen ander woord voor: eenpersoonskoffiemelkverpakkingetjes. Zo'n rond kuipje, meestal bruin plastic, dat ze op café naast je kopje leggen. Er zit een lipje aan dat je moet afbreken en waarmee je de afdekfolie kan lostrekken, zodat je een wolkje melk in je koffie kunt gieten.

Ooit heeft de mevrouw in kwestie mij onderhouden over de problemen waarmee ze wordt geconfronteerd bij het beoefenen van haar hobby. Koffiemelk heeft namelijk een houdbaarheidsdatum, Linda. Koffiemelk wordt zuur en dat staat verzamelen in de weg, zei ze. Dat begreep ik niet meteen. Ik zei haar dat het toch niet de bedoeling is de melk te gebruiken, en dat het me dus geen probleem lijkt dat ze zuur wordt. Dat was een domme opmerking. Ze keek van me weg, alsof ze zich zat af te vragen of het de moeite loonde het mij uit te leggen. Zure melk gaat gisten, zei ze. Daarbij komen gassen vrij - in eenpersoonskoffiemelkverpakkingsverzamelaarskringen weet men precies welke gassen, mij ontsnapt het nu even. Maar in elk geval: de kuipjes gaan na een tijd zwellen. De afdekfolie kan scheuren, in het slechtste geval dreigt de verzameling te ontploffen. Het was haar ooit overkomen. Een Zwitsers kuipje met een afbeelding van de zeemeermin van Kopenhagen. Ze slikte.

De kinderen van de eenpersoonskoffiemelkverpakkingsverzamelaarster hadden haar ooit een piepklein pompje cadeau gedaan waarmee ze de koffiemelk uit de eenpersoonskoffiemelkverpakkingetjes kan pompen. "Zonder dat ik het lipje hoef af te breken, meneer Fillet! Een onooglijk gaatje volstaat, niet in de kostbare, bedrukte bovenkant, maar in het plastic kuipje zelf. Een minuscuul angeltje boort zich vervolgens een weg naar de bederfbare inhoud, en met een kabouterzuigertje pomp je de melk weg." Ze was wat sneller gaan praten, meegesleept door haar en-thousiasme. "Wat een schatten, die kinderen van mij", zuchtte ze. Een mooier cadeau had ze nooit gekregen.

En mannen hebben rare hobby's, zei je?

Labels:

woensdag, januari 14, 2009

Dood


Wie vandaag de Knack koopt, die vervolgens negeert ten voordele van Knack Weekend en doorbladert tot de bijna laatste bladzijde, zal hetvolgende lezen. En het antwoord dat Linda Asselbergs heeft geschreven.

Ik laat de valse vrolijkheid van de Kerstmarkt op de Groenplaats achter me en loop de Jan Blomstraat in, dat tochtgat naast de kathedraal. De wind snijdt me de adem af, ik duik weg in de kraag van mijn jas en ik denk: laat ik een glas gaan drinken in de kroeg van de dode cafébaas. Als laatste eerbetoon. Maar de deur is dicht en de rolluiken zijn neergelaten. Een briefje, de inkt een beetje uitgelopen door het condensvocht: gesloten wegens sterfgeval.

Ik hoefde nooit veel tegen hem zeggen. Er zijn niet veel woorden nodig om te worden voorzien van koffie verkeerd. En ook over muziek hoefden we niet te redetwisten. Ik ging akkoord met de platen die hij oplegde. Wie van Chet Baker houdt, is oké. Ik zei dus niks en hij was het altijd met me eens. Hij droogde de glazen nog eens af en ik mocht er gewoon bijzitten. Drinken. Denken. En nu is hij dood.

Gestorven op dezelfde dag als de dode architect, in dezelfde week als de dode Engelse toneelschrijver, in dezelfde maand als de dode pin-up uit Tennessee en in hetzelfde jaar als de duizendjarige dokter en de dode zanger. Er werd vlotjes gestorven in 2008. De dood heeft het druk gehad, Linda.

Ik denk dat ik weet wat het is: de Magere Smeerlap is aan het oefenen om mij te pakken. Het grote werk, vroeg of laat. En hij slaat nooit toe aan het einde van een leven, maar altijd er middenin. Dat is een vooruitzicht dat ik niet verdraag. Want er zal altijd nog iets zijn waarvan ik de afloop wil kennen. Er is altijd nog een vraag die moet worden beantwoord, een regering die moet worden gevormd, een oorlog die moet worden beëindigd. En er gaat altijd nog een kind geboren worden waarvan ik de naam wil kennen. Ik wil uitstel. Eén dag desnoods. De krant van morgen, laat me die nog lezen. Maar de dood onderhandelt niet.

Ik zit dit stukje te schrijven, Linda, en ik weet dat er twee weken verlopen voor het verschijnt. Dat is een eeuwigheid. Ondertussen zal er een nieuw jaar zijn begonnen. Allicht is de kroeg van de dode cafébaas opnieuw open. Weer een briefje aan de deur: nieuwe uitbater. Allicht staan er ondertussen al nieuwe namen op het lijstje van de Dood, Linda. Want hij neemt geen dag vrij omdat het nieuwjaar is, hij trekt zich nergens iets van aan en werkt rustig voort.

Leef ik nog?

Leef jij nog?

Linda?

Labels:

zondag, december 21, 2008

Thee


De laatste Knack is al vier dagen oud, en ik heb mezelf nog niet gelezen in de Weekend. Linda schreef een stuk over de overdaad aan elektrische keukentoestellen. In een bijzinnetje zei ze een theedrinker te zijn. Daar ging ik op door. Aldus.

Jij bent dus van huis uit een theedrinker, Linda. Dat verbaast me. Ik ken je als een geestige, energieke vrouw die van aanpakken weet. Het mensentype dat van hot naar haar holt, associeer ik spontaan met koffie. De dag beginnen met een stevig startschot: een kop zwart en bitter vocht waarmee je jezelf meteen het leven in katapulteert. Maar ik moet mijn mensbeeld herzien: jij neemt dus thee bij het ontbijt. Nauwelijks meer smaak dan een kop warm water. Een aroma verwant aan de geur van het warme dekentje waarvan je net afscheid hebt genomen, het ontbijt als voortzetting van de slaap.

Thee. Kijk eens hoe je dat schrijft, Linda. Die tweede letter die nergens voor dient. Een h, de slapste letter van het alfabet. Die is nog snelsnel ertussen gefoefeld, alsof de Grote Woordenbedenker geschrokken was van die stevige t waarmee thee begint en zich wil excuseren voor het overdreven enthousiasme. Koffie excuseert zich niet. Khoffie, pfff. Thee, dat is voor als je ziekjes bent.

Ik moet voorzichtig zijn met mijn harde woorden, want de kloof tussen koffie en thee loopt dwars door mijn gezin, Linda. 's Ochtends staat er bij ons én een espressomachine én een waterkoker te pruttelen. Waarmee we opnieuw bij de huishoudtoestellenovervloed zijn. Ik schaar me vanzelfsprekend achter jouw pleidooi voor soberheid. Ik zag daarnet in het foldertje van Blokker dat de kans bestaat dat er een elektrische pepermolen onder de kerstboom terechtkomt, straks. Zelf draaien hoeft niet meer. Dan toch liever een boekenbon. Tiens, een elektrisch boek dat zelf de bladzijden omslaat, bestaat dat al? En dat ze nog altijd geen elektrisch koffielepeltje hebben uitgevonden. Dat vermoeiende roeren, daar moeten we toch van verlost kunnen worden?

Een van mijn kinderen kreeg lichtjes in zijn ogen. Hij zag het al helemaal voor zich: je moet een lepeltje maken waar wieltjes aanzitten, papa. Vader was kritisch. Onderaan het kopje ligt suiker, jongen, en daar struikelt dat lepeltje over, geen goed idee dus. Neenee, papa, die wieltjes moeten bovenaan zitten. Ze rijden over de rand van het kopje en het lepeltje hangt los in je koffie - of jouw thee, Linda. Een beetje zoals een traplift voor ouderlingen die over de trapleuning rijdt, zei hij nog. Ik was helemaal mee.

Ik had het idee moeten patenteren voor ik het hier prijsgaf.

Labels:

donderdag, december 04, 2008

Muis


Vandaag in de Weekend Knack.

Zwart kan je het niet meer noemen, de kleur van de hemel achter het dakvenster. Het donkerste donker van de nacht is voorbij. Aan de andere kant van het glas twijfelt het al richting blauw, maar de ochtend is nog ver weg. Het huis en zijn bewoners slapen, maar mij lukt het niet meer. Slapen is woelen geworden en vervolgens langdurig naar het plafond staren en peinzen peinzen peinzen. Dat mag je jezelf niet toestaan, nachtelijk peinzen kan eigenaardig uitdraaien. Dus ben ik uit het bed gestapt. Geen licht aangeknipt, de bijna volle maan volstaat om de trap af te geraken. Beneden steek ik het leeslampje aan. En dan zie ik ze.

De muis.

Ze bestaat dus echt. Daarover werd in de huiselijke kring sinds een paar dagen gespeculeerd. Iemand had iets horen ritselen. En er woei een raar luchtje door de kelder. Er moest dus een muizenval worden gekocht, besloten we. Dat is geen eenvoudige kwestie, Linda. De verkoper probeerde ons een val aan te smeren waarmee je muizen levend kan vangen. Je kan ze dan volkomen diervriendelijk weer vrijlaten in de tuin, zei hij. Zeven euro vijfenvijftig. We kochten het ouderwetse modelletje met een klapijzer dat het muizennekje breekt. Eén vijfennegentig, kaas niet inbegrepen.

Het stukje kaas bleef ongemoeid en de muis bleef onzichtbaar. We begonnen aan onszelf te twijfelen. Misschien was dat geritsel inbeelding en de geur in de kelder zou van een zwerfkat kunnen zijn. Tot een van ons een gat vond in de muur tussen het berghok en de wc. Een echt tekenfilmmuizenholletje. Mooi halfrond. De toon van het commentaar aan de ontbijttafel evolueerde van verontwaardigd naar respectvol. Dwars doorheen baksteen en cement, met als gereedschap
enkel muizentandjes. Mooi werk.

Maar we besloten niet flauw te doen. Muizen zijn plaagdieren, zegden we tegen elkaar en we legden een zakje vergif. Difenacoum, een anticoagulant. Het telefoonnummer van het antigifcentrum staat groot op de verpakking.

Het muisje dat ik zag lopen vannacht gaf niet de indruk dat het zich tegoed had gedaan aan difenacoum. Het heeft me zelfs heel even aangekeken met haar bolle, glinsterende oogjes. Zij net zo verbaasd over mijn aanwezigheid, als ik over de hare. Dat schept meteen een band, we hadden iets gemeenschappelijks, muis en ik. Het was wellicht een blik van verstandhouding, zoogdieren onder elkaar.

Ik heb het gif weggedaan, Linda. En morgen haal ik die diervriendelijke val van zeven euro vijfenvijftig.

Labels:

woensdag, november 19, 2008

Vechtjas

Linda Asselbergs denkt vandaag in de Weekend Knack dat ik nooit gevochten heb. Dat ik daar te beschaafd en te zachtmoedig ben.


Ik niet vechten, Linda? Je onderschat me. Ik ben er zelfs voor opgeleid: ik kan schieten en ik kan met een bajonet uit de voeten. Ik ben namelijk soldaat geweest. Drie weken, niet langer. In die korte tijd heb ik tien kogels mogen afvuren en heb ik één keer een man-tegen-mangevecht geoefend. De vijand was respectievelijk een kartonnen silhouet dat we door het hoofd moesten schieten en een jutten juten strozak waar we brullend op af moesten lopen. De korporaal-chef verzekerde ons dat een echte buik met darmen waar je een bajonet inploft ongeveer hetzelfde aanvoelt.

En toen keurden ze me af. Over het hoe en het waarom ga ik niet in details treden.

Een keer heb ik echt gevochten. Vijfde leerjaar, na de avondstudie. Het moet in de winter geweest zijn want het was al donker en er cirkelden vleermuizen rond de booglamp die de speelplaats verlichtte. Laat ik hem I. noemen, hij zat een klas hoger. Als je in het vijfde leerjaar zit, Linda, is een jongen van het zesde een onoverwinnelijke reus. Maar wat hij tegen mijn broertje zei was zo lelijk, dat ik vergat dat hij een halve kop groter was dan ikzelf. Ik vloog hem aan.

Het was jassentrekkerij en zo, gevechtstechnisch stelde het niks voor. We rolden over de koude plavuizen en de ene probeerde de ander eronder te krijgen. Hij was sterker, maar ik was kwaaier. Het lukte. Ik zat bovenop zijn ribbenkast, drukte zijn handen tegen de grond en zette mijn knieën op zijn forsbollen. Zo noemden we dat, forsbollen. Ik, nat van de tranen en het snot dat ik niet kon wegvegen omdat ik geen handen vrij had. Hij, klemvast. Bij meer ervaren vechtersbazen had wel eens gezien hoe ze hun tegenstander enkel met de knieën in bedwang konden houden. Dat was de ultieme vernedering. Maar dat kon ik niet, ik had alles wat ik in huis had nodig om I. tegen de grond te houden.

Daar zaten we dan.

Ik weet echt niet meer hoe we uit die patstelling zijn weggeraakt, Linda. Maar ik herinner we wel dat ik, overwinnaar, huilend naar huis ben gegaan. Dat ik trilde en dat ik kou had. En dat we onderweg niks tegen elkaar hebben gezegd, mijn broertje en ik.

I. is iets hoogs geworden in het theater. Af en toe lees ik een interview met hem. Hij lijkt me sympathiek.

Labels:

woensdag, november 05, 2008

Stilstand

Als Linda gedaan heeft wat ik ze hieronder heb aangeraden, staat er vandaag een halve bladzijde wit in de Weekend Knack. Straks eens checken.


Verbiest heet hij, geloof ik. Hij is advocaat en hij heeft een vlammende toespraak gehouden waarin hij heeft gepleit voor stilstand. De leden van het parlement, zei Verbiest, moeten vier jaar lang stoppen met hun wettenmakerij. Vorig jaar zijn er zeventigduizend bladzijden nieuwe wetten en reglementen bijgekomen. Dat is overdreven vlijt, in het Belgisch Staatsblad vindt geen kat haar jongen terug. Het is genoeg geweest. Ter plaatse, rust !

Een zucht van opluchting gaat door het land. Als het parlement ophoudt, kunnen ook de Ivan Devadders en Luc Vanderkelens achteroverleunen. Op de radio komt ruimte vrij voor mooie muziek, de kranten worden dunner en op de trein en in het café hoeven we niet langer van mening te verschillen. De mensen kijken elkaar glimlachend aan en beseffen dat eindelijk, eindelijk het leven kan beginnen. Het wordt tijd.

Zelden krijgt iemand een standbeeld omdat hij niéts heeft gedaan, Linda. Slechts hij die ingrijpt, wordt een Groot Man genoemd. Ten onrechte. Blijven stilzitten is vaak de efficiëntste manier om een probleem de wereld uit te helpen. En als je mij niet gelooft, Linda, moet je het maar eens aan je huisarts vragen. Hij zal het je bevestigen: op een paar lastige aandoeningen na, verdwijnen medische klachten vanzelf. Het is de patiënt die de arts dwingt tot handelen. Maar een voorschriftje maken is economie, geen geneeskunde.

Ik wil nog een stap verder gaan : dadendrang leidt tot rampen. De uitroeiing van de indianen, de Tweede Wereldoorlog, het Heizeldrama, de opwarming van de aarde, FC De Kampioenen, de kredietcrisis, stuk voor stuk het gevolg van overdreven ijver. De mensheid zou heel wat onheil bespaard zijn gebleven als we met zijn allen ons huis niet waren uitgekomen, als we gewoon onze tenen hadden geteld.

Laat ons zelf het goede voorbeeld geven, Linda. Hou je in, laat je toetsenbord onberoerd en zeg tegen je hoofdredacteur dat er een halve witte pagina in Weekend Knack zal staan, deze week. Ze zullen je van luiheid beschuldigen, ze zullen dreigen met ontslag. Maar jij en ik zullen weten: het is omdat we het goed voorhebben met de mensheid.

Labels:

woensdag, oktober 22, 2008

Heidens

Ik heb een tijdje geleden op deze blog het zinnetje "Een katholieke opvoeding, je schudt dat niet zomaar van je af" geschreven. Dat is Linda Asselbergs niet ontgaan. Zij is van huis uit heidens en schrijft daarover een stuk in Weekend Knack. De erfzonde, de vasten, biechtvaders, retraites, het is nooit haar biotoop geweest. Met als enige nadeel dat ze geen geloof heeft om vanaf te vallen. Zo. Dat moet u weten voor u verder leest.


Ik beken, Linda. Ik heb psalm 42 op de radio gezongen. Met onvaste stem, maar het was een kot in de nacht. Wie dan nog luistert, is bereid veel te vergeven. Evenals een moede hinde naar het klare water smacht, schreeuwt mijn ziel om God te vinden die ik ademloos verwacht.

En ja, je hebt gelijk: ik heb al mijn communies gedaan. In een kostuumpje, met zo'n nepdas die met een elastiek rond mijn jongens-nekje spande, met lederen handschoenen en met een spiksplinternieuwe polshorloge.

Ik zie mezelf zitten in een koude kerk, met korte broek op een harde kerkstoel. De rieten zitting kerft rode ribbeltjes in mijn billen. De woorden die ik zing, zijn louter klank, jaren later pas zal de betekenis ervan doordringen. Tegen die tijd is het te laat, voor het geloof ben ik dan al reddeloos verloren. Maar wij, godsloochenaars, moeten toegeven, Linda, dat psalm 42 van een onaardse schoonheid is. Voor het vervolg van de tekst moet ik de Bijbel erop naslaan. Een afvallige kan de tweede strofe niet anders lezen dan met licht schuldgevoel: want allang zoek ik Zijn aangezicht niet meer, mijn ziel is vleugellam geslagen en ik sta niet langer juichend in Zijn voorhoven. Maar als kind dus wel.

Hoewel. Erg vroeg verschenen er barstjes in mijn geloof. Dat was God zijn eigen schuld, hij had maar moeten reageren op mijn gebeden. Ik had een liturgisch probleem. Ergens halverwege de eucharistie wordt het sanctus gezongen. Heilig, heilig, heilig de heer, de God der hemelse machten enzovoort. Elke week opnieuw voelde ik, zogauw de organist het machtige beginakkoord aanzette, een mateloos diepe geeuw opwellen. Een gaap waar ik me voor schaamde. Zo'n Geeuw met de G van God, waarvan de tranen je in de ogen springen. Ik wou dat niet, ik verzette me ertegen, ik smeekte God om bijstand. Laat het deze keer niet gebeuren, Vader. Ik hoorde de priester zijn aanloop nemen, ik kan me de woorden nog herinneren: daarom, met alle engelen, machten en krachten, - ik wil niet, ik wil niet - loven en aanbidden wij u - nee God, nee! en zingen u toe vol vreugde... G-e-e-u-w, terwijl naast me mama met luide stem het Heilig Heilig inzette. Week na week liet God mij in de steek. Hij mij eerst. Daarna ik Hem.

Labels:

woensdag, oktober 08, 2008

Koetjesreep

Nostalgie. Dat werkt altijd, zei Henny Vrienten gisteren in De Laatste Show. In een liedje, bedoelde hij. Maar voor een column geldt het ook. Vandaag in Weekend Knack, met een antwoord van Linda Asselbergs erbij.


Hij stond op de hoek van de Everdijstraat en de Korte Gasthuisstraat en hij speelde viool. Hij zag er Koreaans uit. Of Laosiaans of Thais of iets van die strekking, ik ben niet goed in Aziaten, Linda. Ik liet een stuk van vijftig eurocent in zijn hoed vallen. Wat mij betreft was onze economische transactie daarmee afgerond: er was mij muziek geleverd, ik had daarvoor een halve euro betaald, klaar. Maar de Oosterling dacht er anders over. Hij hield op met spelen en glimlachte. Zijn hand ging in de zak van zijn jasje en hij reikte me iets aan.

Ik ben hem al een paar meter voorbij als ik zie wàt de Koreaan me in mijn handen heeft gestopt. Een restant uit een bijna vergeten verleden: een koetjesreep. Een klein cadeautje bovenop die Bach van daarnet. Ik wist niet eens dat koetjesreep nog gemaakt wordt. Ik kijk naar de blauwe wikkel en ik duik mijn kindertijd in. De koe is nog precies zo blauw als toen. Het raster, dat de tekening een beetje op Delftse tegeltjes doet lijken, is net zoals ik het me herinner. Maar het lettertype heeft een update gekregen, het lijkt me te modern. Geen idee hoe het er vroeger uitzag, maar niét zo. Denk ik toch, de herinnering zit ver. Ook nieuw: "met druivensuiker en calcium", vroeger was dat geen verkoopsargument.

Ik schuif de wikkel eraf, ik plooi het zilverpapier open. Een heel dun latje chocolade, verdeeld in vier vierkantjes. Andere chocoladerepen moesten in blokjes worden gebroken en onder de broertjes verdeeld, maar een koetjesreep mochten we he-le-maal alleen opeten, Linda. Per hoge uitzondering mochten we gulzig zijn. Jullie ook? Ik breek een kwartje af, sluit mijn ogen en stop het in mijn mond, klaar om te worden teruggekatapulteerd naar 1968.

Dat viel tegen, dat terugkatapulteren. Het bleef 2008. Ik heb nochtans heel hard mijn best gedaan, Linda. Ik probeerde mijn koetjesreep net zo lekker te vinden als toen. Maar yuk, wat is dat? Zoet, dat wel. Maar chocolade? Heel vaag in de verte misschien. Het spul smelt in de mond, maar op een foute manier. Een beetje margarineachtig maar dan dikker, met minuscule kristalletjes erin. Weeïg is het woord. Mijn kindertijd is duidelijk voorbij.

Er ligt driekwart koetjesreep in een rioolputje in de Everdijstraat.

Labels:

dinsdag, september 23, 2008

Appendix

Linda Asselbergs heeft in de Weekend Knack een stuk geschreven over de weg zoeken en die dan niet vinden, of slechts met heel veel moeite. Dat is een probleem dat ik herken: ik heb een alinea of drie, vier nodig om terecht te komen waar ik terecht wou komen.


Ik was tien en het voelde alsof er een slang in mijn buik zat. Accute appendicitis, onmiddellijk naar het ziekenhuis. Maak je geen zorgen, die appendix is een lichaamsdeel dat nergens voor dient, zei de dokter, we halen hem eruit. Mijn mama en mijn papa geloofden het, we lieten de dokter zijn werk doen. Tegenwoordig is zo'n blindedarmoperatie iets van niks, Linda, maar toen, diep in de jaren zeventig, moest je er veertien dagen voor in het ziekenhuis blijven.

Ik deelde een tweepersoonskamer met een oude man in een streepjespyjama, die verhalen vertelde over reusachtige karpers in de Turnhoutse Vaart en hoe je die eruit kan vissen. Hij vertelde over de mussen die hij ving en hoe je die moet schoonmaken en bakken. Reken vijf mussen per persoon, herinner ik me. Louis heette hij, maar ik mocht Popeye zeggen. Daar leek hij op als hij zijn tanden uitdeed. Toen hij uitverteld was over zijn karpers en zijn mussen gingen we tafelvoetballen in de televisiezaal. Ik mocht winnen. Weinigen kunnen beweren dat ze Popeye verslagen hebben, maar ik dus wel. En ondertussen zaten mijn klasgenootjes de zijrivieren van Maas en Schelde uit het hoofd te leren. Ik heb aan de dokter gevraagd of ik nog een weekje langer mocht blijven.

Ik dwaal af. Maar dat is niet erg, want ging jouw stuk niet precies daarover: afdwalen, worstelen met plattegrondjes en wegbeschrijvingen, ergens naartoe willen maar de weg niet vinden? Hoe groter de omweg die ik maak, hoe rechter ik op mijn doel afsteven. Hoe terzijder ik schrijf, hoe terzaker ik kom.

Mijn terzake, Linda, is de functie van de appendix. De encyclopedie geeft de dokter gelijk: "voor zover bekend heeft het wormvormig aanhangsel van de blinde darm geen functie in het menselijk lichaam". Ik wens dat te betwisten. Sinds mijn verblijf in het ziekenhuis ben ik twee dingen kwijt: die appendix én het noorden. Ik maak omwegen, ik kronkel door de stad, ik slaag er niet meer in recht op mijn doel af te stevenen. Ik denk dat er een verband is. Heb jij je appendix nog, Linda? Indien niet, lijkt het me bewezen: de appendix is de zetel der oriëntatie.

Labels:

woensdag, september 10, 2008

Rien

Qua column is het nog altijd vakantie in de Knack Weekend. Columns worden ruim vooraf geschreven, vandaar. Voor de repliek van Linda moet u de papieren versie in huis halen en naar pagina 100 bladeren.


Ik ben afgedaald van de berg die we twee weken lang de onze mogen noemen, tot onder de platanen op het Franse dorpsplein, place de la Libération. Het is halfeen, het heetste moment van de dag. De lucht trilt en de autochtonen verschuilen zich. Enkel de bronzen generaal Jean-Jacques Basilien Gassendi negeert de siësta. Vanaf zijn marmeren zuiltje kijkt hij monumentaal voor zich uit. Vier leeuwen spuwen eau non potable ter zijner eer en glorie te zijner ere en glorie. Gassendi, inspecteur van de Napoleontische artillerie en held van de slag bij Marengo. Verder twee duiven, een magere kat die een oog mist en ik. Voor de rest is het plein leeg.

Ik sla een vlieg van mijn benen. Dat is al heel wat, Linda, want ik heb me voorgenomen niets te doen vandaag. Rien. De plannen voor morgen: rien. Vakantie is vakantie. Dit dorp lijkt het daar volmondig mee eens. Ici ne se passe rien du tout. Dat blijkt ook in de krantenwinkel. Tot in het kleinste Franse gat is Het Laatste Nieuws te koop, hier niet. Hier zelfs geen nationale Franse krant, de Tabac Presse levert enkel La Provence, een lokale krant die uit doorgaans welingelichte bron kan bevestigen dat er gisteren in de wijde omgeving volstrekt niets is gebeurd. Er werd gevoetbald, dat wel, en er werd petanque gespeeld. Henri Martin is overleden, de horoscoop voorspelt hoofdpijn voor het sterrenbeeld schorpioen en men overweegt airco te installeren in de metro van Marseille. Je zult het met me eens zijn, Linda, dat valt allemaal onder de categorie rien. De vlieg is halsstarrig. Als ik ze doodsla, staat dat morgen in de krant.

Ik nip aan mijn Ricard en met het oog op een pointe hoop ik dat er toch iéts gaat gebeuren op de place de la Libération. Een klein burenruzietje. Of dat er een auto over de eenogige kat rijdt. Hollandse toeristen die in hun soort Frans de weg vragen. Of dat desnoods de garçon, die me in ruil voor mijn zitje een tweede Ricard komt verkopen, aan zijn ballen zou krabben.

Maar niets van dat alles. Zelfs geen zuchtje wind, de driekleur aan de gevel van de Mairie is al die tijd bewegingloos gebleven. Ici ne se passe absolument rien. Parfait!

Labels: