woensdag, juli 16, 2008

Weg

Woensdag columndag. Linda geeft de voorzet, ik antwoord. Voor het goeie begrip zou u die voorzet gelezen moeten hebben. Ga naar de winkel, pruts het plastiekske open dat rond de Knack zit, blader naar de voorlaatste pagina van de Knack Weekend, en lees hoe Linda voorspelt hoe ik mijn vakanties bij voorkeur doorbreng. Ze slaat de nagel op de kop.


Griezelig. Ja, ik ga liever naar een museum dan naar een strand. Ja, ik lees op vakantie, het liefst in de schaduw van een boom. Dat mag een appelboom zijn. Ik ben weleens met een caravan in Engeland gesignaleerd en met een zwerfwagen in Frankrijk. En inderdaad, nooit zuidelijker dan Bordeaux. Onder Bordeaux beginnen de tropen. Ik ben geen tropenmens.

Er zijn een paar principes die ik koester. Zonneschijn is voor tomaten. Zwemmen is voor vissen. Reizen is voor mensen die thuis niet gelukkig zijn. Dat is een wereldbeeld dat niet echt tot verre verplaatsingen noopt. Op dag twee slaat bij mij heimwee toe, ook dat heb je correct voorspeld, Linda. Waarom ben ik hier, denk ik dan. Waar is mijn eigen bed, de vertrouwde badkamer, mijn boeken en mijn krant, het gepruttel van de koffie in mijn eigen keuken. Wat doe ik mezelf aan? Had ik geen dierbaren die er anders over denken, ik bleef thuis. Als ik vreemde culturen wil leren kennen, lees ik Donau van Claudio Magris of koop ik voor 3,80 euro The Guardian. Dat is veel geld voor een krant, maar géén geld voor een kanaalovertocht.

Ik heb er ooit eens iets over gezegd op de radio, in een reisprogramma nog wel. Dat was vloeken in de kerk. Overstelpt met mailtjes. Zeer tot mijn verbazing géén luisteraars die mij een rare kwiet vonden.

Allemaal mensen met vakantieangst. Lotgenoten. Mensen die een kat in huis hebben gehaald, niet omdat ze van katten houden, maar omdat ze een sociaal aanvaard excuus zochten om een zomer lang thuis te zitten: "Ik kan niet weg, ik moet voor de poes zorgen."

Ik herinner me de brief van V. "Je hebt me gelukkig gemaakt, Koen," schreef ze. Jarenlang had ze geleefd in de veronderstelling dat ze de enige was met een reishekel. Die twee minuten radio waren een pak van haar hart geweest. Ze wou met me trouwen. Ik heb een vriendelijk maar gedecideerd nee teruggemaild, want bij trouwen hoort een huwelijksreis.

Labels:

vrijdag, juli 04, 2008

Doefke

Wat een slappe blogweek. Het schone weer? Bezigheden met scholen en kinderen? De vaste dagindeling op het werk die weg is gevallen en de verwarring die dat in mijn hoofd veroorzaakt? Of dat alles in combinatie? Ik ben zelfs vergeten de Knack Weekendcolumn te posten. Iemand die kan worden omschreven als mijn eerste lezer vond het maar slapkes qua verhaaltje. Iemand anders die kan worden omschreven als mijn opdrachtgever zei dat die eerste iemand niet rap content is.


Met een half oog op de stoplichten van de auto voor me, neem ik de Standaard der Letteren tot me. We schuiven bumper aan bumper richting Van Praatbrug Praetbrug. Ik besef dat ik risico’s neem. Dit is filerijden op niveau, Linda. Multitasken: mijn ene hersenhelft leest over Kees Fens en over Frans Kellendonk en P.F. Thomese terwijl mijn andere hersenhelft zich klaarhoudt om onmiddellijk op de rem te gaan staan. Ondertussen vraagt hersenhelft drie zich af of het verkeersreglement iets zegt over krantlezen achter het stuur. Drie weet bijna zeker van niet. En hersenhelft vier luistert naar Lode Roels op de radio. Allemaal tegelijkertijd. Vier hersenhelften! Mij kan niks gebeuren.

En dan: een doefke. Toch.

Een kleintje, maar ontegensprekelijk een doefke. Een fractie van een seconde geloof ik dat ik zelf de dader ben. Maar de bumper voor me is nog altijd krasvrij, de stoplichten net zo onbeschadigd als daarnet. Ik heb niemand geraakt, hersenhelft twee treft geen schuld.

Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel. Een Saab. Donkerblauw. Verschrikte ogen achter het stuur. Een blik als een schuldbekentenis. Kindjes op de achterbank. Ook geschrokken. Pruillipjes. Door de blauwgetinte ramen kan ik niet zien of er een traantje blinkt.

Maken we er een zaak van? Met formulieren en zo? Ach, ik blijf zitten en maak een wegwerpgebaar door het open raampje. Maar mevrouw staat al op straat.

-Goeiemiddag, zeg ik.
-
Bonjour, zegt zij.

We zijn in Brussel. Discussiëren in het Frans, ik heb er geen zin in. Ik puzzel de zin “Vindt u het erg?” in elkaar. Ze vindt het niet erg. Of ze doet alsof, want mijn trekhaak heeft een minuskuul deukje in haar nummerplaat gedrukt en dat is haar niet ontgaan. Haar mantelpakje en de zonnebril in heur haar doen mij vermoeden dat ze het wél erg vindt.

We stappen weer in. De file schuift voort. Ze blijft nog minutenlang in mijn achteruitkijkspiegel zitten. Iets stoort me. Een kleinigheidje. Dat fluovestje over haar passagierszetel. Dat detoneert met die donkerblauwe Saab en dat mantelpakje.

Labels:

dinsdag, juni 17, 2008

Wasbord

Dit is het antwoord op de column van Linda die morgen in Weekend Knack staat. Ze heeft zich geërgerd in een Amerikaans dieetboek. De laatste zin van mijn stuk was eerst: Fuck onheilsberichten. Fuck Zinczenko. Bij nader inzien leek het me verstandiger om die gedachte wat mainstreamer te formuleren.


Die Zinczenko gaat ons niet hebben met zijn schuldgevoelaanpraterij, Linda. Laat ons dat met elkaar afspreken. Je bent zijn boek toch niet gaan kopen? Ik mag hopen dat links of rechts op de redactie van Weekend Knack een recensie-exemplaar van “Wasborddieet voor Vrouwen” lag te slingeren en dat je daarin hebt zitten bladeren. Geen euro gaan we hem gunnen.

Want laat ons het probleem eens zakelijk analyseren.

Hebben wij een wasbordbuik? Nee, natuurlijk niet. Zijn wij bereid dagelijks sit-ups te doen en te hoelahoepen om een wasbordbuik te verwerven? Nee. Zijn wij bereid te verzaken aan chocolade en alcohol, aan boter en room, met als doel die strakke buik en dat strak lichaam, een doel dat op middellange termijn toch onbereikbaar zal blijken? Ook niet.

Oei. Hoe gaan wij dan vermijden diep ongelukkig te worden?

Alsvolgt, Linda: Wij gaan onze oren en ogen openhouden. En dan merken we signalen op waaruit blijkt dat de heer Zinczenko niet in de echte wereld leeft. Niet iedereen kickt op de wasbordbuik. Een vrouwelijke radiocollega, haar naam zal ik niet noemen, heb ik ooit de lof horen zingen over de buik van haar vriend. De beste buik van de wereld, verzekerde ze iedereen die het wilde horen. Niet omdat hij hard en gespierd was zoals dat wasbord van Zinczenko, nee, het tegendeel was waar: een zachte, bolle buik. Ik meen me te herinneren dat
gezellig het woord was dat ze gebruikte. Ze glimlachte terwijl ze het zei en ze kreeg die afwezige blik in de ogen van heel verliefde meisjes. Een buik waarin je, als je er je hoofd op laat rusten, een beetje wegzakt. Dat zei die collega. Ik had haar kunnen zoenen.

Misschien moet ik haar naam toch maar noemen? Want geef toe, Linda, je zou heel anders naar het radionieuws luisteren. Zou het geen troost zijn als je wist: nu leest ze nog onheilsberichten over epidemieën, over mislukte oogsten, bomaanslagen, uitslaande branden en de moeizame splitsing van een kiesdistrict. Maar het deert haar niet want straks zegt ze “dat was het nieuws”, en dan gaat ze naar huis. Naar haar vriend. Naar zijn buik. Bol. Zacht. Gezellig.

Laat de wereld maar draaien. Zinczenko, pfft.

Labels:

woensdag, juni 04, 2008

Valentini

Woensdag, Knackdag. Halverwege de tekst staat een entre parenthèses, een onbelangrijke gedachte die niet in de logica van het verhaal past, maar die hardnekkig door mijn hoofd bleef spoken. Ik geraakte er maar op een manier vanaf: opschrijven. Misschien had ik hem daarna beter geschrapt... Subiet eens piepen in de Weekend Knack of de eindredactie flinker is geweest dan ikzelf.


Het was een schoen.

Ik had iets vaagbruin en vormeloos zien liggen vanuit het raam op de eerste verdieping. In de goot aan de overkant van de straat. Een poes, dacht ik eerst, maar daar was het ding veel te klein voor. Een aangereden egel dan of een rat misschien. Ach, waarschijnlijk gewoon een stuk karton. Gisteren werd het papier opgehaald, het zal een weggewaaid restje zijn.

Maar het was dus een schoen. Dat bleek toen ik de brievenbus ging legen. Was het maar een verongelukte poes geweest. Eén enkele verloren schoen langs de kant van de weg is van alle verdrietigheden ongeveer de verdrietigste. Veel verdrietiger dan een platte poes. Want als een poes dood is, is het afgelopen. Gedaan. Dat leed is geleden. Hoe anders is dat met een eenzame schoen. Daarachter schuilt verdriet dat nog maar net is begonnen. Verborgen leed dat zichzelf door die verloren schoen verraadt: hier was iets aan de hand. We weten niet wat, we kunnen er alleen naar gissen. En dan denken we meteen het ergste. Ik toch.

Het is een vrouwenschoen. De linker. Hij ligt ondersteboven. (Ik schrijf liever zij ligt ondersteboven, maar een schoen is mannelijk, zelfs een vrouwenschoen. Hij ligt dus ondersteboven.) Als een dood vogeltje, het hakje omhoog. Er zit wat gedroogde modder aan en een paar grasspieten. De mevrouw die bij de schoen hoort is door een tuin gelopen. De zool is versleten maar in het gave stuk tussen hiel en zool zie ik leesbare letters. Valentini. Een leren riempje en een koperen gesp. Aan de juiste voet geschoven had het een prachtschoen kunnen zijn.

Ze moet in paniek geweest zijn, Linda. Anders had dat meisje zich wel omgedraaid en giechelend haar verloren schoen weer aangeschoven. Maar daar heeft ze de tijd niet voor gehad: de schaduw van haar belager naderde, ze kon zijn adem horen. En dan verliest ze die schoen, maar ze merkt het nauwelijks, al is het lastig lopen op één hak. Zoiets moet er gebeurd zijn. Misschien heeft ze gegild. Het dorp heeft niets gehoord.

Met twee vingers heb ik de schoen aan dat riempje uit de goot gevist, zoals je een dood vogeltje bij zijn staartje pakt. Ik heb hem bij het restafval gegooid.

Labels:

woensdag, mei 21, 2008

Violet

Gaan zitten en tikken, dat is de truuk. Ook als je denkt dat er niks gaat komen. Er komt altijd wat. Het stukje van Linda waar dit een antwoord op is, leest u vandaag in Knack Weekend.


Al die reizen van jou, Linda. Nu Hong Kong weer. En soms zucht je en zeg je dat je liefst van alles thuis bent en dan vinden de mensen je verwaand.

Ik leef met je mee want ik heb ook net een reis gemaakt. Per schip. Ik ben naar Hemiksem gevaren, aan de overkant van de Schelde. En meteen weer terug, ik moest namelijk niet in Hemiksem zijn. Mijn dochter stond daar aan de overkant en op haar leeftijd lever ik haar niet zomaar uit aan de grijpgrage handen van een scheepsbemanning. Al betreft het in dit geval slechts de bemanning van een overzetboot, een vader kan niet voorzichtig genoeg zijn: ik ging haar dus halen.

Ik koos een plek bij de reling. Stuurboord, achtersteven. En waaran denkt een landrot als hij een scheepsdek betreedt? Inderdaad. Weet je Linda, dat die Titanic twee zusterschepen had en dat één daarvan, de Britannic, ook is vergaan? Tijdens de Eerste Wereldoorlog. Niet tegen een ijsberg aangevaren, maar tegen een Duitse torpedo.

Ik kijk naar de woeling in het water die de schroef veroorzaakt en heb medelijden met de vissen. De slachtoffers van de scheepsramp met de Britannic zijn niet verdronken, maar vermalen. Twee reddingssloepen kwamen in de draaiende schroef terecht toen ze naar beneden werden getakeld van het slagzij makende schip.

Daar moest ik aan denken terwijl ik naar mijn dochter wuifde: aan rondvliegende ledematen en de verkleuring van het water en aan die ene vrouw die nog net op tijd uit haar sloep kon duiken. Violet Jessop heette ze. Ze was stewardess. Eerst op de Olympic, het oudste van de drie zusterschepen. Ze was aan boord toen de Olympic in 1911 in aanvaring kwam met de HMS Hawke. Zware averij, maar ze waren vlakbij de Engelse kust en het schip bleef boven water. Violet Jessop werd overgeplaatst naar de Titanic. Ook die scheepsramp overleefde ze. En toen op 21 november 1916 zusterschip drie zonk, de Britannic, was ze er voor de derde keer bij. Ze hoorde de ontploffing, besefte dat ze zouden zinken en is nog snel haar tandenborstel gaan halen. Want dat had ze onthouden van de ramp met de Titanic: een tandenborstel had ze het ergst gemist nadat ze gered waren.

Verfilmen, dat leven. En je ogen toeknijpen als de reddingssloepen in de schroeven terecht komen, Linda.

Labels:

donderdag, mei 08, 2008

Bureauman

De column die - euh, gisteren eigenlijk al - in de Knack Weekend te lezen staat/stond, is moeizaam tot stand gekomen. Dat herinnert u zich misschien nog wel.


Ik til, ik buk, ik tart mijn rug. Ik pas en meet en steen voor steen verschijnt een pad. Het is zaterdag, vader maakt zich nuttig. Ken je dat soort werkjes, Linda, dat twintig jaar ligt te wachten op een geschikt moment? Vandaag wordt de voordeur verbonden met de straat. Eindelijk.

En toen voelde ik ogen in mijn rug.

Buurman.

Aroul zeggen de kinderen maar zo heet hij niet, ze gooien zijn letters door elkaar. Handen in zijn zakken. Aroul is iemand van de stiel. Dat is stielmannenjargon voor iemand die in de bouw werkt. In alles het tegendeel van de bureauman. Dat is stielmannenjargon voor iemand die op een bureau werkt. Ik ben een bureauman. Jij bent ook een bureauman, Linda. Papieren volschrijven is ons vak. Een bureauman die een tuinpad aanlegt voelt zich ongemakkelijk als hij de ogen van iemand van de stiel in zijn rug voelt.

Hij zei het niet, maar hij dacht het wel. Dat dodelijke zinnetje: ‘Niet slecht voor een bureauman.’ Misschien dacht hij het niet, maar ik dacht dat hij het dacht. Want natuurlijk deugt mijn tuinpad niet. Het ligt niet volmaakt waterpas, het gaat verzakken. Dat gaat hij allemaal zeggen, je zal het zien Linda. Nu denk hij het alleen nog maar, maar straks gaat hij het zeggen:

‘Is dat zand?’
‘Ja, rijnzand.’

Daar had ik over nagedacht: rijnzand. Witzand is voor de voegen. Punt voor mij.

‘Hm. Rijnzand met cement?’

Shit, ik had er toch cement onder moeten mengen. En ik heb de steentjes niet voldoende aangestampt. Met een rubberhamer moet je dat doen Koen, niet met die stalen hamer, daarmee sla je de stenen kapot. Ik weet het Aroul, ik weet het. En is dat gewone baksteen? Eén grimmige winter en die zijn kapotgevroren, ik voorspel het je.

Dat had hij allemaal kunnen zeggen, maar hij zei het dus niet. Aroul is de vriendelijkste buurman van de wereld. Kapotgewerkt. Je ziet dat aan zijn handen en aan de kromming van zijn rug. Aroul bukt zich niet meer op zaterdag, die tijd is voorbij. Hij zei iets over het weer, dat het een mooie dag is. Over de kastanjebomen op het pleintje. Over de kinderen wellicht of over de burgemeester, ik weet het niet meer. Want in mijn hoofd was niets dan rijnzand, bakstenen en twijfel. En de stille berusting dat mijn tuinpad slechts een bureaumannentuinpad is.

Labels:

donderdag, april 24, 2008

Maillard

Ik blader daarnet door de Knack Weekend van gisteren en merk dat ik me heb vergist. Mijn frietjescolumn staat er al in. Het is een antwoord op Linda die goesting had in frieten, onderweg naar frituur Den Hoek op de autoradio hoort dat Claus dood is, en... enfin, kijk eens op pagina 123.


Je frietjesverhaal heeft me het water in de mond laten lopen, Linda. Hoe komt dat toch dat gefrituurde dingen zo lekker zijn? Alles wat bruingebakken is, wordt onweerstaanbaar. Gebakken patatjes, geroosterd brood, elke bereiding met een kaaskorstje, het krokant gebakken velletje van de kip. Bruin is lekker. Zelfs voor suiker gaat dat op: karamel is lekkerder.

De verklaring is pure chemie, jou jouw frietenbakker van Frituur Den Hoek is zonder het te beseffen met uiterst ingewikkelde scheikunde bezig. In aardappelen zit suiker en op het moment dat hij de rauwe frietjes in zijn evenwichtige mengeling van rund- en palmvet gooit, verandert zijn frituur in een laboratorium. Eenvoudige glucosemolecules worden omgezet in tientallen reactieproducten, allemaal met een specifieke smaak, sommige bitter, sommige zoet, sommige zuur. De subtiele mengeling van al die smaaktoetsen maakt bruingebakken voedsel zo lekker. In elk geval veel lekkerder dan de rechtoe rechttoe-rechtaan suikers waarmee we waren vertrokken.

Maar er is meer aan de hand. Meneer Den Hoek maakt gebruik van de Maillard-reactie, vernoemd naar Louis-Camille Maillard, die zich aan het begin van de vorige eeuw dezelfde vraag stelde: waarom is bruin lekker. Maillard was bovengemiddeld verstandig. Op zijn zestiende al studeerde hij aan de universiteit van Nancy. Het zegt iets over de normen en waarden van de Franse cultuur dat zo een geniaal man zich met iets triviaals als de smaak van frieten en kaaskorstjes wil bezighouden. In 1912 deed Maillard zijn grote ontdekking: als je suikers en eiwitten samen verhit tot meer dan 150°C, vormen zich ingewikkelde stikstofhoudende polymeren, melanoïdines. Die hebben twee bijzondere eigenschappen: ze zijn bruin en ze zijn lekker.

Tadaa! Het geheim van het korstje ontsluierd, Linda. Hoewel. We mogen niet te vroeg op onze lauweren rusten, we zijn er nog niet, er gebeuren in Frituur Den Hoek dingen die nog altijd niet volledig wetenschappelijk uitgeklaard zijn. Maar daar wordt aan gewerkt: er bestaat een International Maillard Reaction Society die jaarlijks een kaaskorstjessymposium organiseerd organiseert, vorig jaar in Munchen. We mogen erop vertrouwen dat die IMRS vroeg of laat het werk van Maillard afmaakt en de formule zal bekend maken voor het volmaakt gefrituurde aardappelschijfje.

En ondertussen hebben de Fransen Louis-Camille Maillard een eretitel opleverde die nog eervoller is dan Dichter des Vaderlands. Ze noemen hem "Bienfaiteur de l'Humanité".

Labels:

dinsdag, april 22, 2008

Cadeau

Morgen, op een van de allerlaatste bladzijden van Knack Weekend, zal het onderstaande te lezen staan. Dat is niet de column die gehinderd werd door een gedicht. Die volgt over twee weken.


Smeekens, zei hij. Smeekens Frank. Een blik in de ogen van je kent me toch, dé Smeekens Frank. Het was een zaak van levensbelang. Maar ik herkende hem dus niet. Smeekens probeerde de situatie te redden: Sint-Norbertusinstituut, we hebben samen in de klas gezeten. Ik deed mijn uiterste best. De volgende dag zou Janne jarig zijn, de winkels gingen bijna dicht en ik had nog geen cadeau. O ja, Frank, huichelde ik. Dag Frank. Ik pijnigde mijn hersenen, ik gaf mezelf het bevel herinneringen aan Smeekens Frank uit mijn mentale fichebak op te diepen. Eén anecdote zou volstaan voor een snel gesprekje van een paar minuten. Er kwam niks. Voor me stond een volstrekt onbekende.

Smeekens praatte voort. Hoe vaak hij zijn dochter had verteld over die heerlijke jaren en hoe vaak hij mij had aangewezen op oude klasfoto’s. Dochter stond naast hem, volwassen vrouw ondertussen, of toch bijna. Nog net puber genoeg om zich lichtjes voor haar vader te schamen. Dit had zijn moment van glorie moeten zijn, maar het dreigde een moment van gêne te worden. Het verlamde me: als ik Smeekens Frank niet herkende, zou hij in affronten vallen voor zijn voltallige nageslacht.

Van zoveel verantwoordelijkheid blokkeert mijn langetermijngeheugen, Linda. Ik hoorde namen passeren van leraars die ik inderdaad heb gehad. Onmiskenbaar een gemeenschappelijk verleden, Frank en ik. Ik probeerde de man vijfentwintig jaar jonger te maken. Gladder vel, meer haar, minder kilo’s. Maar het was vergeefse moeite. Ik kende hem niet. Al waren er een paar dingen waar we het over eens waren, daar op de Groenplaats: dat de tijd snel gaat en zo. Over Franks schouder zag ik de wijzers van de kathedraal richting sluitingsuur schuiven. Vijfentwintig jaar, man man. Klap op mijn rug. Of ik zin had in een pintje. Dat had ik niet.

Het is me nog al overkomen, Linda: dat ik iemand tegenkom die ik heb gekend toen we jong waren. Soms herken ik hem wel, maar dan lijkt alsof hij ondertussen door een of andere zware ramp werd getroffen. De jaren, meer is het niet. Vermoedelijk denkt die ander precies hetzelfde over mij, want niemand ontsnapt. Smeekens Frank was uitgepraat. We namen afscheid en vervolgden ieder onze weg. Hij op zoek naar nieuwe avonturen, ik op zoek naar een verjaardagscadeau.

Labels:

woensdag, maart 12, 2008

Zoek, Tarzan, zoek

Mijn madam maakt licht bezwaar tegen onderstaande tekst. Ze vindt dat ik haar onrecht aandoe. Haar materialenkennis is groter dan uit de Knack Weekendcolumn van deze week blijkt. Ik heb haar gezegd dat zoiets Dichtung heet en dat ze een klein offer moet brengen voor de literatuur. Ze heeft met haar ogen getrokken.


Er is een verschil tussen iets niet meer vinden en iets kwijt zijn. Kwijt is veel definitiever dan niet vinden. Er is bijzonder weinig dat ik echt kwijt ben, Linda. Twee dingen, denk ik.

Het verzameld werk van Elschot, eerste druk, gebonden, grijze kaft. Ooit uitgeleend en nooit teruggekregen. Maar aan wie? Ik weet het niet meer. Een paar keer heb ik overwogen het opnieuw te kopen, maar daar ben ik te gierig voor. En de huidige druk heeft een lelijke rode cover, ik wil mijn grijze terug.

Tweede kwijte ding: een speelgoedrevolver. Er werd bij ons thuis nog nét getolereerd dat mijn broers en ik met Lego een kanon in elkaar knutselden, maar voor de rest waren mijn ouders echte jarenzeventigers: geen oorlogsspeelgoed. En geen kauwgom, maar dat doet hier niet ter zake. Tot op een verjaardagsfeestje een vriendje me een revolver kado deed. Nooit zo blij geweest.

Op een dag was mijn revolver verdwenen. Tot op vandaag blijft mijn moeder ontkennen. Jarenlang heb ik gehoopt dat mama mijn revolver ergens op een voor kinderhandjes onbereikbare plek had weggestopt en dat ik ooit, grootgeworden maar nog jong genoeg voor cowboy en indiaan, mijn liefste speelgoed terug zou krijgen. Dat is nooit gebeurd. Ik zie ze graag, maar ik blijf ze verdenken: mama heeft die revolver in de vuilbak gegooid. Dàt, Linda, noem ik echt kwijt zijn.

Voor de rest, ach ja. Ik moet wel eens zoeken. En inderdaad, ik roep dan vrouwelijke hulp in.
-Zoeteke, de trektang, waar zou die kunnen liggen?
-Op haar plaats, Koen. Heb je daar al eens gekeken?
-Haar plaats, is dat hier op het schapje?
-Nee, daar lag ze vroeger. Ik heb je toch verteld dat ik dat een paar dagen geleden allemaal naar de kelder heb verhuisd.
-Ah.
(…)
-(nu vanuit de kelder) Euh, ik zie ze niet liggen…
-In een van de werkbakken, ik weet het zeker.
-(nog vanuit de kelder) Die blauwe?
-Ja, die blauwe. Wacht, ik zal zelf komen kijken. Wedden dat ik uw tang direct heb?
-(gebrom, onverstaanbaar, en dat is de bedoeling.)
(…)
-Voilà. De trektang!
-Dat is een nijptang, zoeteke. Maar je hebt gelijk, hier ligt de trektang. In de blauwe werkbak, ik heb er naastgekeken.
Zeg niet dat ik niet kan zoeken Linda, ik zoek als de beste. Vinden, daar ben ik wat minder in. Maar ik deel mijn leven met een huisgenote die daar dan weer heel straf in is. Zoals wij elkaar aanvullen, we mogen onze handjes kussen.

Labels:

dinsdag, februari 26, 2008

Ballen

Morgen zal ik in Weekend Knack onderstaande mededeling doen. Tussen het schrijven en het publiceren van dit stuk zitten twee weken. In die tijd heeft De Morgen zijdelings verwezen naar hetzelfde onderwerp. Wat mij even deed zuchten. Twee weken is lang. Te.


"Wat zien ballen er toch raar uit, gevangen in een onderbroek". Ik citeer een verslaggever van de Nederlandse Volkskrant. Daarin ging het vorige week over de beveiliging van Schiphol. Ze hebben daar vijftien machines staan waarmee ze passagiers uitkleden. Elektronisch en ongeweten. De verslaggever mocht even meekijken. Het effect schijnt nogal wonderlijk te zijn.

Ik herinner me prepuberale speelplaatsgesprekken waarin jongetjes hun verbeelding de vrije loop lieten over brillen waarmee je door kleren kon kijken. Onze stemmetjes klonken hoog en ongebroken. Een van ons vermoedde dat zoiets met ultraviolet licht mogelijk moest zijn. X-stralen, dacht een ander, zijn vader werkte in het stedelijk ziekenhuis. Vijfendertig jaar later is die jongensdroom uitgekomen. Het is een nachtmerrie.

Ik kom zelden mijn huis uit. Op Schiphol ben ik slechts één keer geweest. Dat was diep in de jaren tachtig, ik geloof niet dat de technologie toen al zover was dat reizigers virtueel in het kruis gekeken konden worden. De securitycheck was nog handwerk. Ik ben er gerust in, niemand weet hoe mijn ballen – ach laat maar.

Maar jij stapt op vliegtuigen met het gemak waarmee ik de tram neem, Linda. Ga je wel eens via Schiphol? Wellicht is je daar de vreemde glans in de ogen van de securitymensen opgevallen. Wat nu? En let op: binnenkort is ook Zaventem niet meer veilig, gans Europa volgt het Schipholse kijkexperiment met buitengewone interesse. Als het werkt en er is voldoende draagvlak, kan het Europabreed worden ingevoerd, zegt de Volkskrant. Enkel loden ondergoed kan je beschermen.

En passant probeert men ons gerust te stellen. De beelden zijn zwart-wit en negatief. Gezichten worden weggemozaiekt. De computers waarmee de passagiers worden bekeken hebben geen printeruitgang, geen save-functie en geen usb-aansluiting. De kans dat je na je vlucht bloot op het internet terecht komt is onbestaande.

Wellicht is het met kijken naar geknelde ballen in onderbroeken precies zoals met werken in een chocoladefabriek: op de duur kan je geen chocolade meer zien of ruiken. Nee, die agenten houden geen wedstrijdje dikste tetten of merkwaardigste penis. Die geeuwen en die kijken op de klok hoelang nog.

Labels:

woensdag, februari 13, 2008

Technofobie

Linda heeft een stuk geschreven waarbij de titel Technofobie precies past. Over automaten die tegenwerken enzo. Een van die automaten staat in de Savaanstraat. Kijk maar eens in de Weekend Knack. Mijn antwoordcolumn heeft evenveel met technofobie te maken als de tang met het varken. Het zij zo. Op die manier had ik meteen mijn eerste zin.


Sta mij toe naast de kwestie te antwoorden, Linda. Ik spits me toe op die parkeergarage aan de Savaanstraat, donker en kil. Meerbepaald op de geur die je daar tegenwoei. Pis. Mannenpis durf ik te veronderstellen.

Ik beken. Tegen bomen en struiken, tegen blinde muren, tegen afrasteringen en paaltjes allerhande, of vanop de blauwe steen in de Schelde. Af en toe zetten mannen de sluizen open op plekken die daar niet voor zijn uitgerust. Elke man, ook ik. Maar er zijn grenzen: mij zal je niet betrappen in een parkeergarage. Wildplassen hoort in open lucht, waar wij kunnen hopen op een aanstondse regenbui die de boel weer schoon zal spoelen. Ik wil me bij de penisloze helft van de mensheid excuseren voor seksegenoten die zich niet aan deze regel houden.

Regel twee: enkel buiten de bebouwde kom. Maar daar zondig ik zelf ook wel eens tegen. Laatst nog in het Harmoniepark, vroeg in de ochtend. De tram die me thuis zou brengen - een plek voorzien van elk sanitair comfort - liet op zich wachten. De druk in mijn onderbuik nam toe, op den duur werd het pijnlijk. Zélfs als de tram onmiddellijk arriveert, rekende ik mezelf voor, zou ik in de problemen komen. Ik barstte haast. Slechts tien stappen tot aan de eerste haagbeuk, schatte ik. Strijd tussen nood en schaamte. Het park is bladloos en doorzichtig in dit seizoen, maar ach, het is nog vroeg en eenzaam in de stad. Een beetje nevelig bovendien.

Eens het besluit genomen, moet het vooruit gaan, Linda. Elke seconde telt, want sluitspieren hebben weinig geduld en weigeren rekening te houden met koppig tekstiel. Maar de rits deed niet lastig en ik draag handig ontworpen ondergoed. Klateren. Heerlijk woord, klateren. Leegloop. Verlossing. Een rilling langs de ruggengraat. Nirwana.

De tram! Net nu, shit. Geen idee hoe het met vrouwen zit, Linda, maar de plassende man is weerloos. Overgeleverd aan de gebeurtenissen, het is technisch onmogelijk om de sluis weer dicht te draaien. En zo’n tram wacht dus niet. Ik ben wat later thuisgekomen.

Labels:

dinsdag, januari 29, 2008

Hooiberg

Dit is niét de tekst die deze week in Weekend Knack staat. Want ik heb op verzenden geklikt zonder de lettertekens te tellen. De eindredactie heeft me laten weten dat ze hebben ingegrepen, er moesten regels geschrapt worden. Ik zal morgen samen met u ontdekken welke regels.


Het is een geval van speld en hooiberg: ik zoek vrouwen die van muziek houden.’t Is voor mijn werk. En ik bedoel écht, gepassioneerd, zoals sommige mannen van muziek houden. Vrouwen die de tekst van Subterranean Homesick Blues uit het hoofd kennen, die elk boek over de Beatles in de kast hebben, die weten dat Miles Davis nog in een fanfare heeft gespeeld, die erbij waren toen AC/DC optrad in dancing Thierbrau in Kontich, of die daar niet bij waren, maar kunnen doen alsof, vrouwen die kunnen vertellen dat de rijkswacht daar binnenviel en dat een van de agenten een pistool drukte tegen het hoofd van Angus Young, vrouwen die eindeloos kunnen lullen over 5 april 1994, die 150 euro voor een kaartje voor Neil Young niet overdreven vinden, vrouwen die boos worden als iemand beweert dat Van Morrison zeurt, en die luchtgitaar spelen. Ken jij vrouwen die luchtgitaar spelen, Linda? Ik ook niet, alleen mannen doen dat. Dat zegt het helemaal. De ware liefde voor muziek is een mannenzaak.

Mijn zoektocht lijkt op die van Paul Jacobs halfweg jaren ’80. Voor het panel van De Taalstrijd moest hij vrouwen vinden met gevoel voor humor. Dat lukte niet. Hij kwam niet verder dan Myriam Thys. Toon mij een grappige vrouw, heeft hij me ooit gezegd, en ik trouw ermee. Tine Embrechts moest toen nog worden uitgevonden en Frieda Van Wijck hield zich verborgen in de kantoren van de Wereldomroep. Paul moet haar ettelijke keren per week voorbij gelopen zijn in de koffiekamer van de omroep, onwetend van haar talenten. Ondertussen erkent de wereld dat Frieda geestig is, ik vraag me af waarom Paul nog altijd vrijgezel is.

Ter zake. Wat ik zoek zijn vrouwen die een gedeelte van hun jeugd hebben doorgebracht in muffe tweedehands platenwinkels, op zoek naar die ene ontbrekende plaat. Ik noem maar wat: Bowi, een EP die Nick Lowe maakte als reactie op Low van David Bowie. Mijn hart sprong op van vreugde toen ik het kleinood bij Chelsea Records uit de afprijsbak viste.

Zelden meisjes gezien bij Chelsea Records. Jullie zitten anders in elkaar: vrouwen gaan gewoon naar de Fnac en kopen een Greatest Hits van Nick Lowe. Of nee, niet van Nick Lowe. Van Chris Rea of van Clouseau. Misschien weten vrouwen dat het geluk van de collectionneur vluchtig is. Zogauw je zo’n zeldzaam plaatje vindt, is de spanning eraf. De gaten in de verzameling zijn interessanter dan de verzameling zelf.

Is er iets mis met ons, Linda, of is er iets mis met jullie? En vissen doen jullie naar het schijnt ook al niet. Of kleurenwies. Wat is dat toch?

Labels:

dinsdag, januari 15, 2008

Spijt

Ik vrees dat mijn Knack-stukje van deze week onbegrijpelijk is zonder de column van Linda die eraan voorafgaat. Dus zal u de Weekend Knack er even moeten op naslaan. Linda schrijft over twijfelen en daardoor te laat in actie komen, of helemaal niet. En over een collega die gestorven is.


Ik ken dat, Linda. Niet de twijfel over de polonaise evenwel. Dat is nee. Altijd. Ik vlucht desnoods richting sanitair, of ik verberg me een kwartiertje in de auto. Dansen is mijne regel niet, noch het eenvoudige achter elkaar hossen, noch het intelligentere werk van tango of wals. Ik voel dat niet, ik begrijp niet hoe je met twee benen een driekwartsmaat gedanst kan krijgen. Wiskundig rammelt dat, dus laat ik het aan me voorbij gaan en troost me met de gedachte: muzikanten dansen niet. Ik ben geen muzikant, maar ik heb wel ambities in die zin. Niet-dansen is alvast een begin.

Maar ik deel jouw twijfel wel van doe ik het of doe ik het niet. Zeg ik het of zeg ik het niet. Het makkelijke aan dit soort problemen is dat de tijd ze oplost in onze plaats. Lang genoeg twijfelen en kijk, het momentum is voorij. In dubio abstine, bij twijfel niet handelen. Later misschien. Goh, wat ga ik het druk hebben, later.

En dan komt plots wijdbeens de dood tussen jou en later staan.

Ik heb me meermaals voorgenomen me te vermannen. Later is nu, denk ik dan, er is geen tijd voor zeg ik het of zeg ik het niet. Er moet gesproken worden. Meermaals heb ik de woorden geproefd en geoefend waarmee ik het zwijgen wou doorbreken. Des nachts heb ik argumenten verzameld, in zinnen gegoten, gebaren en stiltes ingestudeerd, een toespraak bij elkaar gedroomd waar geen speld is tussen te krijgen, tegelijkertijd onweerlegbaar én vriendelijk, zodat niemand me mijn woorden kwalijk zal kunnen nemen. Zodat elkeen elkeen zal aankijken, en zachtjes zal fluisteren: zo is het, iemand moest het zeggen. Het fluisteren wordt spreken, het spreken wordt roepen en het roepen handelen. Nooit zal de wereld nog zijn wat hij geweest is, later is nu!

's Ochtends als ik wakker word, weet ik de zinnen nog. Maar dan zet ik een voet op de koude grond en ik voel ze wegvloeien, woord voor woord. Ik verzet me, maar het voelt als wolken pakken - al heb ik nog nooit een wolk gepakt. Ze is er, die wolk, maar precies door ze te pakken roer ik ze kapot en wordt ze opnieuw nietsigheid. De woorden lossen op in vaagte en nog voor ik aan tandenpoetsen toekom is mijn hoofd weer leeg.

Het redden van de wereld zal voor een volgende keer zijn.

Labels:

woensdag, december 12, 2007

Dief

Ik wou een column schrijven over de voordelen van rijden met geblutste auto's. Maar teksten hebben een eigen wil en soms schrijven ze zichzelf. Dit staat vandaag ook in Weekend Knack, alwaar u ook het wederwoord van Linda Asselbergs vindt.


Ik zou kunnen pleiten dat de ochtend nog een beetje schemerig was, en ik niet geheel wakker. Dat ik met mijn gedachten bij de lekkende kraan zat in het berghok en bij ander klein ongemak. Dat ik aan Afganistan liep te denken, Darfour, Kyoto, de regeringsvorming. Het zou gelogen zijn. Enkel dat lek en de schemer speelden me waarlijk parten, zo vroeg op de dag laten de wereldproblemen me betrekkelijk koud.

Ik zou kunnen pleiten dat niets zo hard op een grijze Ford Focus lijkt als een andere grijze Ford Focus. Ik was er werkelijk van overtuigd dat het mijn eigen auto was waarmee ik probeerde weg te rijden, geloof me Linda. Maar mijn sleutel paste dus niet. Ook niet bij de tweede poging. Ook niet toen ik naar de andere kant probeerde te draaien – ik twijfel geregeld of het rechts- of linksom moet.

Was ik naar de bakker gereden zoals het hoort, met de fiets, dan was er niks aan de hand geweest. Maar hoe gaat dat op een herfstige ochtend? Je schenkt jezelf voorafgaand vergiffenis en je kiest voor je gemak. Je rijdt gemotoriseerd naar het eind van de straat. Wat ik al zei: Kyoto laat me betrekkelijk koud, zo vroeg op de dag. Twee lang grof, gesneden alstublieft. En daarna moet ik me dus vijftien meter hebben vergist.

Het besef dat ik met mijn sleutel in iemand anders zijn sleutelgat aan het morrelen was, doet me verstijven. Rondkijken. Betrapt of niet betrapt? Is er iemand? Verdomme, er is iemand. Heeft ze het gezien? Ze heeft het gezien. Is het haar auto? Nee, gelukkig niet. Uit haar boodschapentas steekt een prei.

Ik probeer zo gewoon mogelijk weg te wandelen, doodgemoedereerd. Nonchalant kijk ik nog even in een etalage, voor ik naar mijn eigen auto stap. Die met de blutsen. Buurman kwam een paar maanden geleden met een iets te ruime bocht onze straat ingereden en is in de flank van mijn geparkeerde auto terechtgekomen. Excuses enzo, hij wou probleemloos de garagekosten betalen. Maar ik heb mijn schouders opgehaald. De deuk zit er nog altijd in. Een auto met blutsen is de ware luxe, Linda. Je hoeft je geen zorgen meer te maken over een kras meer of minder. En ze stelen hem niet.

Sleutel past. Mevrouw met prei loopt door. Ik rij weg. Niks gebeurd.

Labels:

woensdag, november 28, 2007

Bezig

Daarstraks stond hier nog een andere tekst, getiteld Dief. Dat was een abuis. Dief is de column voor over veertien dagen. En bij Weekend Knack hebben ze niet graag dat ik de columns die ik voor hen schrijf al voor publicatie op mijn blog blog. Weggehaald dus, en de juiste uit mijn voorraadje geplukt.

Het is het antwoord op Linda, die klaagt dat ze druk druk druk is. Wie wil weten hoé druk, moet de Weekend Knack in huis halen.


Ik ken het gevoel, Linda. Maar het kan anders. Er moet namelijk niet zoveel. Er moet op de keper beschouwd bijna niks. Je kan ook niét naar de tandarts gaan. Je kan kiezen om niét te bloggen. Je persoonlijke klein onderhoud kan je een keertje overslaan, niemand die het ruikt. Geloof me, ik heb het al geprobeerd. En zelfs het groot onderhoud is minder noodzakelijk dan medische informatiefolders ons willen doen geloven. Relax. Lossen, daar gaat het om. Laat maar waaien.

Om met dat groot onderhoud van het lichaam te beginnen: ’t is waar, een mammografie en een uitstrijkje op zijn tijd kunnen het leven van een vrouw met een paar jaar verlengen. Voor mannenlevens geldt hetzelfde: ik zie de leeftijd naderen waarop ik om medische redenen voorover zal moeten buigen ten einde een arts toegang te verschaffen tot de duisterste plekken van mijn lijf. Op straffe van een voortijdige dood. Maar wat hebben we aan die gewonnen levensjaren, Linda, als we ze hebben opgesoupeerd aan haast en spoed, aan heen en weer hollen tussen gynaecoloog, respectievelijk uroloog, en radioloog? Besef dat je de uren die je investeert in het onderhoud van je lichaam, inruilt tegen extra jaren in een rusthuis, gekluisterd aan bed of rolstoel. De dood is wellicht minder erg.

Wat geldt voor ons lichaam is ook waar voor de auto: geloof het onderhoudsboekje niet. De mijne gaat enkel naar de garage voor groot nazicht. Het klein onderhoud sla ik over. Ik geef toe: dat is begonnen door nonchalance en vergeetachtigheid. Maar toen ik merkte dat een auto blijft rijden, ook als je de filters en de olie niet tijdig vervangt, werd het een bewuste strategie. Waarom zou ik ermee naar de garage gaan? Toch niet omdat het onderhoudsboekje me een schuldgevoel wil opzadelen zeker? Lossen, Linda. Lossen. En het is nog goedkoop ook.

Zo, op die manier hebben we een pak tijdrovende dingen geschrapt. Wat rest is jouw kapotte koelkast, je bad dat niet doorloopt en de vuile gordijnen die je beletten meer tijd met geliefden en familie door te brengen. Bel een broer of een neefje en vraag dat hij de sifon eens openschroeft. Zoek jezelf vrienden in de sector van de elektrohandel en los het koelkastprobleem op tijdens het voeren van een goed gesprek. En vraag je dokter of hij je knarsknie wil ingipsen. Volgens mij is je zus – heb je een zus – dan moreel verplicht je gordijnen te komen halen, en gewassen en gestreken terug te brengen.

Ik begin een adviesbureau, denk ik. Tijd zat.

Labels:

maandag, november 26, 2007

Suikerwerk en pralines twee

Door een speling van het lot bevond ik me vanochtend op een middelbare school. Ik mijd zo’n plekken wegens onverwerkt verleden. Maar er moest iemand worden ingeschreven en ze kon zelf niet gaan. Ik stond in haar plaats aan te schuiven. Het ging, al bij al.

Om tien uur ging de bel. Op slag werden wij – ik was niet alleen, er stond ruim tweehonderd man zijn beurt af te wachten – op slag werden wij indringers. De hall werd ingenomen door puistenkoppen en pubermeisjes en het aanzwellend geruis van duizend stemmen. De jongens duwend en trekkend aan elkaar, eentje springt over een vuilbak. De meisjes ernstiger. En sommigen bloedmooi. Gelukkig is het winter en zijn de rokken lang en de truitjes zedig.

Een jongen spreekt me aan. Hij wil weten wat wij hier doen. Hij heeft blokjes. Ze hebben allemaal blokjes, hoe is mijn generatie aan een ordentelijk gebit geraakt? Ik zeg dat wij ons komen inschrijven voor het volwassenenonderwijs. Hij kijkt even, aarzelt, en zegt wat ik denk: dan hoéf je eindelijk niet meer naar school, en dan kom je toch. Uit vrije wil begot.

Hij heeft een lief. Nu nog baard.

Labels: ,

maandag, november 19, 2007

45

Halte Halewijn. De tram duikt het duister van de tunnel in. De man naast me op de bank doet alsof ik er niet ben. Hij kijkt naar buiten. Maar er is geen buiten, we zijn ondergronds, de wereld is op zwart gegaan. Af en toe komt de noodverlichting voorbij, voor de rest heeft de man enkel zijn spiegelbeeld om naar te kijken. En ook dat lijkt hij te negeren - dan nog liever het volstrekte niets.

Het negeren is wederzijds. Ik doe alsof ik de druk van zijn linkerdij niet opmerk. Hij doet duidelijk zijn best om zijn elleboog zo dicht mogelijk bij zijn eigen lijf te drukken. En ik ontken de geur die uit zijn winterjas dampt. Hem valt niets kwalijk te nemen: het regent. Dat heeft zo zijn gevolgen voor de luchtkwaliteit in trams en bussen.

Halte Frederik Van Eeden. Ik ben jarig, maar dat kan je aan mijn gezicht niet zien. Geen blikken van verstandhouding. Geen glimlach, geen gemompeld proficiat. Uitdrukkingloos doordeweeks zwijgen.

Er moeten er nog zijn, ik ben niet de enige die op deze novemberdag is geboren. Wie? Ik hou me in. Ik onderdruk de zin om luidop te vragen of er nog iemand jarig is vandaag. We hadden samen koffie kunnen drinken. Telefoonnummers uitwisselen en afspreken dat we dat volgend jaar weer doen.

Een meisje manouvreert een kinderwagen de tram in, terwijl ik besef dat ik jonge moeders meisjes begin te vinden. Het kind kijkt wel. Ik knipoog. Er wordt geglimlacht achter een fopspeen. Het meisje heeft niets gemerkt.

Groenplaats.

Labels: ,

dinsdag, november 13, 2007

Kreupel

Het is dinsdagavond, als alles volgens de klassieke patronen verloopt is het morgen dus woensdag. Knackdag. Onderstaande tektst, veertien dagen geleden geschreven, zal morgen op de voorlaatste pagina van Weekend Knack staan.


Je zal mij niet horen beweren dat ik kreupel ben, Linda, maar ik ben het wel. Sinds 28 mei, de dag na de 20 km van Brussel. Ontstoken achillespezen. Dat voelt alsof er bij elke stap iets wordt geforceerd onderaan mijn kuiten. Een of andere spier lijkt te kort. Als ik even heb stilgezeten kom ik wankelend overeind en zet ik grimmassend mijn eerste passen. Voor familieleden en collega’s probeer ik mijn lijden te verbergen, maar ik vrees dat ze me doorzien. Ik voel bovendien een verontrustende boebel boven mijn hiel. Vroeg of laat knapt daar iets.

Wat doet de ware loper dan? De ware loper gaat naar de dokter. Die schrijft een zalfje voor en ijscompressen en een ontstekingsremmer en een paar sessies bij de kinesist. Na een paar weken is het probleempje vergeten en kan de ware loper weer lopen.

Ik niet, ik ben niet zo dokterachtig. Liever nog de pijn verbijten dan in een wachtkamer gaan zitten. Ik sus mezelf met de gedachte dat het morgen wel beter zal gaan, of volgende week. Of de week daarna. En voor je het beseft zijn er vijf maanden voorbij. Vijf maanden geen meter meer gelopen, ik hijg ondertussen opnieuw als een gewone sterveling als ik de trap op moet.

Ik heb heimwee, Linda. Heimwee naar de eenzaamheid van de loper, de monotonie van het duizend-en-zoveel keer neerkomen van mijn voeten, vakantie in mijn hoofd, ontsnappen aan het echte leven, de interieure monologen met mezelf. Vaaglijk herinner ik me de lotsverbondenheid met andere lopers, de stille concurrentie ook, de zoute druppels die prikten in mijn ogen, het heerlijke stinken van mijn zweet, en de douche achteraf. Het lopen had me veranderd, vanbinnen en vanbuiten. Had, want stilaan begin ik in de spiegel opnieuw mijn voltallige zelf te zien.

…ik ben ondertussen dan toch maar naar de dokter gegaan. Schoorvoetend. Nee, dat is ongepaste beeldspraak. Schoorwankelend. Inderdaad: zalfje, ijs, ontstekingsremmers, kinesist. En wat doet Fillet vervolgens? Hij legt de voorschriftjes op de kast, en daar liggen ze nog altijd. Die zalf die smeer ik want hadden we nog in huis, maar naar de apotheker gaan of een afspraak maken bij de kinesist? Niet.

Het zal morgen wel beter gaan, of volgende week. Of de week daarna.

Labels:

dinsdag, oktober 30, 2007

Krop

Koen, is je column af? 't Is crisis met de drukkerij, we zijn altijd veel te laat, zeggen ze. Kan je je tekst al doorsturen?

Mail van Linda. Nee, ik kan hem nog niet doorsturen want ik moet er nog aan beginnen. Doorgaans neem ik twee dagen voor mijn column: denken, schrijven, nachtje laten liggen, schrappen, schrijven, doorsturen.
Maar als het crisis is, is het crisis. Ik grijp naar de noodoplossing van de stukjesschrijver in tijdsnood: de nevenschikking.

Het betreft hier een antwoord op een tekst van Linda Asselbergs over ontroering. Wie haar stuk wil lezen, kope morgen de Knack. Afdeling Weekend.


Wat me een krop in de keel bezorgt? Eén enkele schoen, verloren langs de kant van de weg. Verslenste bloemen. 1 september. De volledige maand februari. Redemption Song. Platgereden dieren, op voorwaarde dat ze pels hebben. Zieke vogeltjes. Supernany. Mechelen na sluitingstijd. Middelbare vrouwen die te hard hun best doen. De zin I’m looking at the river but I’m thinking of the sea uit In Germany before the war van Randy Newman. Terugdenken aan grootmoedergebreide kinderbroekjes en hoe die prikten. Terugdenken aan meerijden op de fiets van vader, vooraan op de buis. Love Hurts in de versie van Gram Parsons. Alles wat met schoollopen te maken heeft. Late schilderijen van Vincent Van Gogh. Daniel Johnston. Alex Chilton. Evenals een moede hinde. Vergeten decorstukken in de catacomben van de omroep. De gedachte aan Wim en hoe hij is gestorven. Spoorwegstations en luchthavenhallen. Deathrow. Zwartwitfoto’s van kapotte fabrieken. Monkie. Die mussenmoeder die haar jongen zocht op de plek in het ijle waar even daarvoor de dakgoot nog was van het tuinhok dat we aan het afbreken waren. Met zijn tweeën precies hetzelfde denken op hetzelfde moment. Chinese opera. Joelende kinderstemmen op een speelplaats in de verte. Een oud echtpaar op een bankje in het park. Ex-topsporters. De Noordzee in de winter. De cellosuites van Bach. De geur van Ovolmaltine. De waterval van Coo. De zin Was ze toch maar hier, dan kon ik nukkig zijn, gevolgd door Nukkig zijn dat gaat niet goed alleen. Die arme Elisabeth, Gabriël en Emmanuel. Jan Decleir die Notte bella margarita zingt. Non ho l’eta van Gigliola Cinquetti. Vliegen op gezwollen kinderbuikjes. Of nog erger: rond hun oogjes. Sam en Rosie die trouwen in The Lord of the Rings 3. Kampvuur. Motregen. Twee mannen die samen door één microfoon zingen, liefst met een voet op de monitor. Een slapend kind, als het het mijne is. De A12. Jonge sla natuurlijk. Paters. Daklozen met een hond. Radio Spes. Eilanden waar alleen gras en mos groeit met een enkele struik en het gelach van meeuwen.

Maar echte tranen? Zelden. Als ik heel hard moet geeuwen bijvoorbeeld, dan wel. Of als ik een neushaartje uittrek. En een paar keer toen het écht raak was. Maar dat wil ik niet in Knack zien staan.

Labels:

woensdag, oktober 03, 2007

Taalergernissen

Linda Asselbergs heeft een stukje geschreven waarin ze zich opwindt over de uitdrukkingen opleuken en afzeiken en kostenplaatje en ervoor gaan enzo. Dit is mijn antwoord.


Je had me bijna te pakken, Linda. Bijna had ik je volmondig gelijk gegeven. Want ja, ik erger mij ook geweldig steendood aan opleuken en afzeiken en kostenplaatje en ervoor gaan. En ik let ervoor op dat ik op de radio niet te pas en te onpas alvast zeg of beweer dat er sprake is van een heuse dit of dat. Collega’s die Bart Peeters een creatieve duizendpoot, Marc Eyskens een eminence grise of Tom Lanoye een enfant terrible durven noemen, beschouw ik als (geschrapt door de hoofdredactie). Zeg alsjeblieft nooit absoluut als ik in de buurt ben en als je gewoon ja bedoelt. Ik huiver als ik hoor dat er weer iets in de lift zit - ik heb Fred Brouwers eens horen beweren dat het kerkorgel in de lift zat. Ik heb ooit willen navragen of het gebruik van ik heb zoiets van voldoende reden is voor een echtscheiding. En mensen die kids hebben, aaargh! Ontzetting uit de ouderlijke macht, nu! Stante pede!

Je had me dus bijna meegesleept in je ergernissen
verhaal, Linda. Bijna had je me zover dat ik je stukje aan ging vullen met mijn eigen privé-taalergernissen. Maar ik heb er een nacht over geslapen en ik heb besloten het oneens met je te zijn.

We stellen ons aan,
we moeten daar eerlijk in zijn. Het is de moeite niet waard. Taal is een communicatiemiddel, zolang we elkaar begrijpen is er niks aan de hand, toch? Wie tijd en energie heeft om zich aan taal te ergeren, is een mens met weinig echte zorgen. Prijs je gelukkig, Linda.

Apropos, weet je waarvan ik de muren oploop? Van het verkeerde gebruik van het woord
letterlijk. Laatst hoorde ik iemand beweren dat hij van de schilderijen van Fred Bervoets letterlijk pijn aan zijn ogen kreeg. Nee verdomme, hoe lelijk die cultuurbarbaar die schilderijen ook vindt, die pijn blijft figuurlijk.

En er is ook iets aan de hand met
integendeel. “Nee, ik wind me niet op, integendeel” zou ik kunnen beweren. Dat is heel gewoon Nederlands maar je moet daar eens over nadenken. Nee, ik wind me niet op, integendeel, ik wind me dus wél op. Ik bedoel, probeer die kromme logica als welwillende francofoon maar eens onder de knie te krijgen.

Zal ik dit stukje afsluiten met een enthousiaste
Doei?

Vandaag in de Weekend Knack.

Labels: ,